Arbeidsverdeling en productiviteit (Economie vmbo), les 3: Terugblik quiz

PRODUCENT · ARBEID

Quiz

Terugblik: Arbeidsverdeling en productiviteit

1 / 15
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

Cette leçon contient 15 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblikquiz met twaalf vragen over arbeidsverdeling, sectoren, arbeidsproductiviteit, arbeidsomstandigheden, soorten arbeid en emancipatie voor vmbo.

Éléments de cette leçon

PRODUCENT · ARBEID

Quiz

Terugblik: Arbeidsverdeling en productiviteit

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Peter Elfelt / Wikimedia Commons, publiek domein

Mila knipt de buurman, hij repareert haar fiets. Welke vorm van arbeidsverdeling?

A

Tussen bedrijven onderling

B

Tussen bedrijven en overheid

C

Tussen individuen

D

Tussen bedrijven en huishoudens

Twee personen doen ieder een eigen taak en ruilen: tussen individuen.

Vul in

De arbeidsproductiviteit is de productie per werkende per tijdseenheid. De productiecapaciteit is iets anders: het maximum.

arbeidsproductiviteit
tijdseenheid
productiecapaciteit
winst
welvaart

Productiecapaciteit is het maximum dat een bedrijf kan maken, arbeidsproductiviteit is de productie per werkende.

Een openbare basisschool is een voorbeeld van welke sector?

A

Quartaire sector

B

Primaire sector

C

Secundaire sector

D

Tertiaire sector

Onderwijs is een dienst van de overheid of met subsidie: quartair. Alleen KB en GL/TL.

Zet op volgorde, van eerst naar laatst

1

Per werknemer wordt meer geproduceerd

2

Werknemers specialiseren zich in één taak

3

Het werk wordt verdeeld in taken

4

Producten worden goedkoper en de welvaart stijgt

Arbeidsverdeling leidt tot specialisatie, een hogere productiviteit en meer welvaart.

Lisa werkt in een café om met veel mensen te praten. Welk arbeidsmotief?

A

Geld verdienen

B

Status

C

Plezier in het werk zelf

D

Contact met anderen

Praten met mensen is het motief contact. Alleen KB en GL/TL.

Wat regelt de Arbowet?

A

Gelijk loon voor vrouwen en mannen

B

Veilige en gezonde arbeidsomstandigheden

C

De hoogte van het minimumloon

D

Het aantal vakantiedagen per jaar

De Arbowet gaat over veilig en gezond werken. Alleen KB en GL/TL.

Met dezelfde werkenden stijgt de productie van 400 naar 500. Procentuele stijging?

A

25%

B

20%

C

100%

D

125%

100 erbij op 400 is 100 : 400 x 100 = 25%. Verwachte fout: delen door 500 (20%).

Een gemeente vervangt handmatig vegen door een veegwagen. Wat is dit?

A

Automatisering

B

Integratie

C

Mechanisering

D

Vervreemding

Een machine neemt handwerk over: mechanisering. Automatisering is werk met computers of robots. Alleen KB en GL/TL.

Wat kenmerkt leidinggevende arbeid?

A

Je voert alleen uit wat je wordt opgedragen

B

Je stuurt anderen aan en verdeelt het werk

C

Je werkt zonder loon

D

Je hebt geen opleiding nodig

Leidinggevend: aansturen. Uitvoerend: taken uitvoeren.

Wat is productiecapaciteit?

Goed: het maximum dat een bedrijf in een bepaalde tijd kan maken. Verwachte fout: de productie per werkende noemen.

Anna en Tom doen hetzelfde werk, maar Anna krijgt minder loon. Welk probleem?

A

Een gebrek aan kinderopvang

B

Een slechte arbeidsomstandigheid

C

Vervreemding van het eindproduct

D

Een beloningsverschil voor dezelfde arbeid

Voor hetzelfde werk hoort gelijk loon te zijn (emancipatie). Alleen KB en GL/TL.

Wat is grijs werk?

A

Werk dat helemaal niet wordt aangegeven

B

Werk zonder loon voor een club

C

Werk voor een uitzendbureau

D

Werk waarvan maar een deel wordt opgegeven

Bij grijs werk wordt een deel van het werk of inkomen niet opgegeven. Zwart werk is helemaal niet aangegeven. Alleen KB en GL/TL.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

PRODUCENT · ARBEID

Goed gedaan!

Je kent nu arbeidsverdeling, sectoren, arbeidsproductiviteit en soorten arbeid. Vraag bij elke examenvraag: wie doet welk werk, en hoeveel wordt er per werkende gemaakt?

Cet élément n'a pas d'instructions