Cette leçon contient 29 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.
La durée de la leçon est: 50 min
Éléments de cette leçon
D1ATh4 Sporten
B4: Je spieren
Info gebruikt van:
Malmberg methode Biologie en verzorging voor jou
Biologiepagina.nl
Bioplek.org
Biologieweb.nl
e.a.
Slide 1 - Diapositive
Wat weet jij (al)?
Wat is een spier
Wat is de functie van een spier?
Wat is een pees?
Waar zit 'de dubbele S-vorm'?
Waarom bestaat de dubbele S-vorm?
Wat is een antagonist?
Hoe werken antagonisten samen?
Slide 2 - Diapositive
Nr. 3
A
voorste kuitspier
B
voorste dijspier
C
voorste buikspier
D
voorste scheenbeenspier
Slide 3 - Quiz
Spieren: 1. Maken beweging van botten mogelijk. 2. Zorgen ervoor dat er beweging is in je organen (bijv. voedsel kneden in de maag).
A
1: waar
2: nietwaar
B
1: nietwaar
2: waar
C
beide nietwaar
D
beide waar
Slide 4 - Quiz
Om de arm te buigen moet je
A
de biceps aanspannen
B
de triceps aanspannen
C
de biceps ontspannen
D
de biceps en de triceps aanspannen
Slide 5 - Quiz
De biceps en de triceps zijn spieren die bij bewegen
A
hetzelfde doen
B
het tegenovergestelde doen
C
nooit samenwerken
D
niets met elkaar te maken hebben
Slide 6 - Quiz
Bekijk afbeelding 1. Wat gebeurt er met de voet als spier P zich samentrekt?
Sleep het cijfer A of B naar de afbeelding
Slide 7 - Question de remorquage
Nr. 5
A
Kuitspier
B
Voorste scheenbeenspier
C
Achterste scheenbeenspier
D
Voorste kuitspier
Slide 8 - Quiz
Hier zie je
A
geen goede lichaamshouding
B
een goede lichaamshouding
Slide 9 - Quiz
Sleep de juiste naam naar de juiste plek in het lichaam
Borstspier
Armbuigspier (biceps)
Rugspier
voorste dijbeenspier
Armstrekspier (triceps)
Kuitspier
Buikspier
Achterste dijbeenspier (hamstring)
Scheenbeenspier
Slide 10 - Question de remorquage
Hoeveel spieren heb je ongeveer?
A
500
B
200
C
400
D
600
Slide 11 - Quiz
Spieren: 1. Maken beweging van botten mogelijk. 2. Zorgen ervoor dat er beweging is in je organen (bijv. voedsel kneden in de maag).
A
1: waar
2: nietwaar
B
1: nietwaar
2: waar
C
beide nietwaar
D
beide waar
Slide 12 - Quiz
Waar bestaan spieren uit?
A
Pezen
B
Bundels spiervezels
C
Vlies
D
kleine spiertjes
Slide 13 - Quiz
Wat zit er tussen een bot en een spier?
A
Spierbundel
B
Spiervezel
C
Pees
D
Vlies
Slide 14 - Quiz
Als de armbuigspier samentrekt wordt hij:
A
langer en dunner
B
langer en dikker
C
korter en dikker
D
korter en dunner
Slide 15 - Quiz
Een pees
A
Een deel van een spier waarmee de spier aan het bot vastzit
B
Een onderdeel van een spiervezel
C
Een onderdeel van een spierbundel
D
Een onderdeel van het bottenstelsel
Slide 16 - Quiz
Dubbele S-vorm: De vorm van je wervelkolom die in stand wordt gehouden door je rug en buikspieren en zorgt voor een stevige en rechte lichaamshouding
A
waar
B
nietwaar
Slide 17 - Quiz
Antagonisten 1. Het zijn twee spieren die een tegengesteld effect hebben. 2. Ze werken samen zodat je kunt bewegen.
A
1: waar
2: nietwaar
B
1. nietwaar
2: waar
C
beide waar
D
beide nietwaar
Slide 18 - Quiz
Als een spier samentrekt:
hoe lang kun jij dit?
De plank is een statische oefening, wat inhoudt dat je je lichaam een tijdje in een bepaalde houding moet houden zonder te bewegen.
A
wordt de spier korter en dunner
B
wordt de spier langer en dikker
C
wordt de spier korter en dikker
D
wordt de spier langer en dunner
Slide 19 - Quiz
De spieren met pezen zitten vast aan de botten
A
juist
B
onjuist
C
soms wel
D
soms niet
Slide 20 - Quiz
Als deze spieren aanspannen
A
gaat de pols buigen
B
gaat de pols strekken
C
gebeurt er niets
in de pols
D
gaat de pols draaien
Slide 21 - Quiz
Tonie zegt dat antagonisten spieren zijn die elkaar tegenwerken.
Eya zegt dat antagonisten spieren zijn die samenwerken. Ze doen het tegenovergestelde, de een spant aan, de ander ontspant zich.
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
Tonie waar
Eya niet waar
D
Tonie nietwaar
Eya waar
Slide 22 - Quiz
Wat kun je zeggen over de wervelkolom van deze jongen
A
de dubbele S-vorm staat behoorlijk onder druk
B
Deze heeft GEEN dubbele S-vorm
C
Deze heeft een S-vorm
D
Deze heeft GEEN
S-vorm
Slide 23 - Quiz
De arm gaat nog meer buigen, welke spier is dan actief?
A
de biceps spant meer aan
B
de triceps spant meer aan
C
de voorste dijspier spant meer aan
D
de achterste dijspier spant meer aan
Slide 24 - Quiz
Beweging ontstaat doordat .... 1 .... kunnen samentrekken.
.... 2 .... kunnen niet samentrekken, maar zorgen voor verbinding met het bot.
A
1: spieren
2: spieren
B
1: pezen
2: pezen
C
1: pezen
2: spieren
D
1: spieren
2: pezen
Slide 25 - Quiz
Zie afbeelding: Wat is waar over de belasting van de nek
A
0 kg belasting.
B
5 kg extra belasting.
C
8 kg extra belasting
D
26 pakken suiker van
1 kg aan extra belasting
Slide 26 - Quiz
Alle spieren hebben een antagonist waardoor bewegen mogelijk is
A
waar
B
nietwaar
C
soms
D
dit is onzin, spieren hebben niets met antagonisten te maken
Slide 27 - Quiz
Zie afbeelding Het kind wordt opgetild
A
Dat is een voorbeeld van goed tillen.
De armen zijn gestrekt en het kind is op de juiste afstand van de moeder.
B
Dat is een voorbeeld van goed tillen.
De armen zijn gestrekt en de houding van de rug is goed
C
Dit is geen goede manier van tillen
D
Dat is een voorbeeld van goed tillen.
De benen en de rughouding van de moeder zijn goed.
Slide 28 - Quiz
Basisstof 8: Vul de volgende zinnen in door de goede woorden er naar te slepen.
<span style="color: rgb(255, 255, 255)">Je kunt de kans op een sportblessure verminderen </span><span>door voor je begint een ________ te doen</span>
Een warming-up begint meestal met ___________ lopen
Door een warming-up stroomt er meer ___________ naar je spieren
Bij een warming-up horen ook ________
Door sporten komen er afvlstoffen in de ____________
Door nadat je gesport hebt een __________ te doen heb je minder last van spierpijn
Een warme douche zorgt voor een goede ___________ van spieren