De grondwet van 1848 (Geschiedenis vmbo), les 3: Terugblik quiz

PERIODE 1848-1914 · GRONDWET

Quiz

Terugblik: De grondwet van 1848

1 / 13
suivant
Slide 1: Slide
newEditorGeschiedenisMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

Cette leçon contient 13 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblik met een quiz van tien vragen over de grondwetsherziening van 1848, de macht van koning en parlement en de verkiezingen.

Éléments de cette leçon

PERIODE 1848-1914 · GRONDWET

Quiz

Terugblik: De grondwet van 1848

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Jan Zweerts / Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

Wat was een gevolg van de grondwetsherziening van 1848?

A

De koning kreeg meer macht dan ervoor

B

De koning kreeg minder macht, het parlement meer

C

Alle burgers kregen kiesrecht

D

Nederland werd een republiek

Beperking van de macht van de koning en uitbreiding van de macht van het parlement. Verwachte fout: alle burgers kregen kiesrecht, terwijl het censuskiesrecht gold.

Wat vonden de liberalen van de rol van de overheid?

A

Zij moet voor ieders werk en huis zorgen

B

Zij moet alles voor de koning regelen

C

Zij moet de fabrieken zelf overnemen

D

Zij moet zich niet te veel met burgers bemoeien

Liberalen willen vrijheid en weinig bemoeienis van de overheid. Verwachte fout: werk regelen, dat past bij de socialisten.

Vul in

In 1848 werden de gemeenteraad, de Provinciale Staten en de Tweede Kamer rechtstreeks gekozen.

Provinciale Staten
Tweede Kamer
Eerste Kamer
Staten-Generaal

Rechtstreeks gekozen: lokaal, provinciaal en landelijk. Verwachte fout: Eerste Kamer, die indirect werd gekozen.

(KB, GL/TL) Hoe werd de Eerste Kamer vanaf 1848 gekozen?

A

Rechtstreeks door alle kiezers

B

Door de koning benoemd

C

Door de gemeenteraden

D

Door de Provinciale Staten

Indirecte verkiezing door de Provinciale Staten. Verwachte fout: rechtstreeks, zoals bij de Tweede Kamer.

Wat kenmerkt een parlementaire democratie?

A

De koning beslist, het parlement adviseert

B

Het gekozen parlement heeft veel macht

C

Alleen rechters maken de wetten

D

Het volk stemt zelf over elke wet

In een parlementaire democratie heeft het parlement veel macht. Verwachte fout: het volk stemt zelf over elke wet, dat is een referendum.

Vul in

(GL/TL) In de Luxemburgse kwestie wilde de koning Luxemburg verkopen aan Frankrijk, maar de Tweede Kamer verzette zich.

Luxemburgse kwestie
Frankrijk
Pruisen
Willem II

Willem III wilde Luxemburg verkopen aan Frankrijk. Verwachte fout: Pruisen, omdat dat land bij deze kwestie ook een grote rol speelde.

(GL/TL) Wat betekent onschendbaarheid van de koning?

A

De koning mag zelf wetten maken

B

De koning is gekozen door het volk

C

De minister draagt de verantwoordelijkheid, niet de koning

D

De koning heeft geen enkele taak meer

De koning kan niet worden aangesproken op het beleid, de minister wel. Verwachte fout: de koning heeft geen taak meer, maar hij bleef staatshoofd.

Wie was koning ten tijde van de Luxemburgse kwestie in 1867?

A

Willem III

B

Willem II

C

Willem I

D

Wilhelmina

Willem III volgde Willem II in 1849 op. Verwachte fout: Willem II, omdat hij bij 1848 hoort.

Welke bewering over de grondwet van 1848 klopt?

A

Alle mannen en vrouwen kregen kiesrecht

B

Nederland werd parlementaire democratie, maar niet iedereen mocht stemmen

C

De koning kreeg meer macht, de ministers minder

D

De Eerste Kamer werd afgeschaft

Het censuskiesrecht bleef bestaan. Verwachte fout: de koning kreeg meer macht, dat is het omgekeerde van wat er gebeurde.

Leg uit waarom 1848 een keerpunt was voor de macht van het parlement.

Een goed antwoord noemt minstens twee dingen: ministeriële verantwoordelijkheid, het recht van amendement of het recht van enquête, of de rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer, en dat de koning minder macht kreeg. Verwachte fout: alleen zeggen 'de koning werd bang'.

Hoe zeker voel je je over de grondwet van 1848?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

PERIODE 1848-1914 · GRONDWET

Goed gedaan!

Je weet nu waarom de grondwet in 1848 veranderde en hoe de macht van de koning naar het parlement verschoof.

Cet élément n'a pas d'instructions