Ongelijkheid en belasting (Economie vwo), les 3: Terugblik quiz

WELVAART · ONGELIJKHEID

Quiz

Terugblik: Ongelijkheid en belasting

1 / 15
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 15 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblikquiz met twaalf vragen over Gini en inkomensmaatstaven, vermogen, de afruil, belastingen en nivelleren. Geschikt als afsluiting of herhaling voor het centraal examen.

Éléments de cette leçon

WELVAART · ONGELIJKHEID

Quiz

Terugblik: Ongelijkheid en belasting

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Erik Wannee / Wikimedia Commons, CC0

Land A heeft een Gini-coëfficiënt van 0,28 en land B van 0,41. Wat volgt hieruit?

A

Land A heeft meer inkomensongelijkheid

B

In land B is het gemiddeld inkomen hoger

C

Land A heeft een hogere belastingwig

D

Land B heeft meer inkomensongelijkheid

Een hogere Gini-coëfficiënt betekent meer ongelijkheid. De Gini zegt niets over het gemiddeld inkomen of de wig.

Vul in

Het arbeidsinkomen bestaat uit inkomen uit werk; het totaal inkomen telt ook kapitaalinkomen, zoals rente, en daarnaast uitkeringen mee.

arbeidsinkomen
kapitaalinkomen
secundair inkomen
heffingskorting

Totaal inkomen is arbeidsinkomen plus kapitaalinkomen en uitkeringen.

Waarom is vermogen meestal ongelijker verdeeld dan inkomen?

A

Erfenissen en rendement vergroten de verschillen

B

Iedereen bouwt evenveel vermogen op

C

Vermogen is een stroom, inkomen een voorraad

D

Schulden tellen niet mee bij vermogen

Vermogen bouw je over jaren op en wordt geërfd; rendement versterkt dat. Vermogen is een voorraad en inkomen een stroom, en schulden gaan er juist van af.

Vul in

Bij herverdeling kan een afruil ontstaan: de prikkels om te werken of te sparen worden kleiner, terwijl de verdeling rechtvaardiger wordt.

afruil
prikkels
rechtvaardiger
belastingwig
doelmatiger

De afruil tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid: minder prikkels, maar een gelijkere verdeling.

Over welk bedrag betaalt een bedrijf vennootschapsbelasting?

A

De omzet van het bedrijf

B

De loonkosten van het bedrijf

C

De winst van het bedrijf

D

Het vermogen van het bedrijf

Vennootschapsbelasting is een belasting op de winst. Verwachte fout: de omzet (winst is omzet min kosten).

Een belasting is 20% van 10.000 euro en 15% van 40.000 euro. Welk stelsel is dit?

A

Progressief: de belasting in euro stijgt

B

Progressief: het gemiddeld tarief is laag

C

Degressief: het gemiddeld tarief daalt

D

Degressief: de belasting in euro daalt

2.000 euro bij 10.000 (20%) en 6.000 euro bij 40.000 (15%): het gemiddeld tarief daalt, dus degressief. De belasting in euro stijgt wel (2.000 naar 6.000): verwachte fout is daaruit progressief afleiden.

Zet de berekening van de belasting op volgorde

1

Tel de belasting van de schijven op

2

Bepaal het belastbaar inkomen

3

Trek de heffingskorting af

4

Bereken de belasting per schijf

Eerst het belastbaar inkomen (aftrekposten eraf, bijtellingen erbij), dan per schijf rekenen, optellen en als laatste de heffingskorting van de belasting aftrekken.

Waarom drukken btw en accijns relatief zwaarder op lage inkomens?

A

Zij besteden een groter deel van hun inkomen

B

Zij betalen een hoger percentage btw

C

Zij sparen een groter deel van hun inkomen

D

Zij kopen alleen producten met accijns

Btw en accijns worden betaald bij het besteden. Lage inkomens besteden een groter deel van hun inkomen, dus het gemiddeld tarief over het inkomen is voor hen hoger.

Noem één voorbeeld van een bijtelling.

Bijvoorbeeld een auto van de zaak voor privégebruik: het belastbaar inkomen gaat omhoog. Verwachte fout: een aftrekpost noemen.

Welke maatregel nivelleert?

A

Een lager tarief voor de hoogste schijf

B

Een aftrekpost die vooral hoge inkomens gebruiken

C

Een vlaktaks in plaats van een progressief tarief

D

Een hogere toeslag voor lage inkomens

Een hogere toeslag verkleint de relatieve verschillen. De andere drie maatregelen vergroten ze (denivelleren).

Waarom is een uitkering ook een vorm van verzekering?

A

Je krijgt haar alleen als je veel verdient

B

Je krijgt geld als je inkomen wegvalt

C

Ze verkleint de belastingwig voor werkgevers

D

Ze verhoogt het inkomen van alle huishoudens evenveel

Een uitkering (zoals de WW) vangt inkomensverlies op en herverdeelt ook. Verwachte fout: denken dat een uitkering alleen herverdeling is.

Wat geldt altijd bij een vlaktaks?

A

Er is één marginaal tarief

B

Het gemiddeld tarief is voor iedereen gelijk

C

Er zijn geen aftrekposten

D

Hoge inkomens betalen evenveel belasting in euro

Een vlaktaks heeft één marginaal tarief. Met een heffingskorting stijgt het gemiddeld tarief toch met het inkomen, dus gelijk gemiddeld tarief geldt niet altijd.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

WELVAART · ONGELIJKHEID

Goed gedaan!

Je kunt nu ongelijkheid meten, belasting berekenen en de afruil tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid uitleggen.

Cet élément n'a pas d'instructions