Zonnestelsel en heelal (Natuurkunde havo), les 3: Terugblik quiz

Montage van planeten, niet op schaal (NASA/JPL, publiek domein)

EXAMENSTOF · E1 · ZONNESTELSEL EN HEELAL

Quiz

Terugblik: Zonnestelsel en heelal

1 / 14
suivant
Slide 1: Slide
newEditorNatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

Cette leçon contient 14 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblik met twaalf vragen over maanfasen, de hemelbaan, lichtsnelheid en lichtjaar, structuren in het heelal, het uitdijende heelal en de wet van Wien.

Éléments de cette leçon

Montage van planeten, niet op schaal (NASA/JPL, publiek domein)

EXAMENSTOF · E1 · ZONNESTELSEL EN HEELAL

Quiz

Terugblik: Zonnestelsel en heelal

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: NASA/JPL / Wikimedia Commons, publiek domein

Het is volle maan. Waar staat de aarde ten opzichte van zon en maan?

A

De maan staat tussen de zon en de aarde

B

De zon staat tussen de aarde en de maan

C

Zon, aarde en maan vormen een rechte hoek

D

De aarde staat tussen de zon en de maan

Bij volle maan verlicht de zon de kant van de maan die naar de aarde wijst: de aarde staat tussen zon en maan. Verwachte fout: de maan tussen zon en aarde zetten (dat is nieuwe maan). Syllabus E1.1.

Waarom lijken de sterren in de loop van de nacht te draaien?

A

De sterren draaien om de aarde

B

De aarde draait om haar as

C

De aarde draait om de zon

D

De maan trekt de sterren mee

De draaiing van de aarde om haar as geeft de schijnbare beweging van de sterren. Verwachte fout: de baan om de zon kiezen; die verklaart een verschuiving over het jaar. Syllabus E1.1: hemelbaan.

Vul in

Een lichtjaar is de afstand die licht in één jaar aflegt, en licht gaat door vacuüm met de lichtsnelheid van 2,998·10⁸ m/s.

lichtjaar
lichtsnelheid
lichtminuut
geluidssnelheid

Syllabus E1.4: vakbegrippen lichtjaar en lichtsnelheid. Verwachte fout: lichtjaar als eenheid van tijd zien.

Een sonde zendt een signaal en dat komt na 4,0 uur aan. Hoe ver is de sonde?

A

1,2·10⁹ m

B

4,8·10⁻⁵ m

C

4,3·10¹² m

D

7,2·10¹⁰ m

s = c·t met t = 4,0 · 3600 = 1,44·10⁴ s: s = 2,998·10⁸ · 1,44·10⁴ = 4,3·10¹² m (2 significante cijfers). Verwachte fouten: uren niet omrekenen (1,2·10⁹), delen in plaats van vermenigvuldigen (4,8·10⁻⁵) of met 60 in plaats van 3600 (7,2·10¹⁰). Syllabus E1.4: s = c·t.

Zet op volgorde van klein naar groot

1

De Melkweg

2

Het zonnestelsel

3

Een cluster van stelsels

4

De aarde

De aarde is een planeet in het zonnestelsel, dat in de Melkweg ligt; de Melkweg is een sterrenstelsel, en sterrenstelsels vormen samen clusters. Syllabus E1.4: structuren. Verwachte fout: zonnestelsel en Melkweg verwisselen.

Ster A heeft een twee keer zo hoge temperatuur als ster B. Wat geldt voor λmax?

A

λmax van A is de helft van die van B

B

λmax van A is twee keer zo groot

C

λmax van A is vier keer zo klein

D

λmax van A en B is gelijk

λmax·T is constant, dus λmax is omgekeerd evenredig met T: dubbele T geeft halve λmax. Verwachte fout: rechtevenredig redeneren. Syllabus E1.4: wet van Wien.

Een blauwe en een rode ster. Welke is heter en waarom?

A

De rode, want zijn λmax is kleiner

B

De blauwe, want zijn λmax is kleiner

C

De rode, want zijn λmax is groter

D

De blauwe, want zijn λmax is groter

Blauw licht heeft een kleinere golflengte dan rood. Een kleinere λmax hoort bij een hogere temperatuur. Verwachte fout: rood met heet associëren. Syllabus E1.4: wet van Wien.

Wat betekent: het heelal dijt uit?

Een goed antwoord: het heelal wordt groter, sterrenstelsels bewegen op grote schaal van elkaar af. Verwachte fout: dat de sterren zelf groter worden. Syllabus E1.4: uitdijend heelal.

Welke bewering over de maan klopt?

A

Ze is een planeet die om de zon draait

B

Ze geeft zelf licht, net als de zon

C

Ze is groter dan de aarde

D

Ze draait om de aarde en kaatst zonlicht terug

De maan draait om de aarde en zendt geen eigen licht uit: ze kaatst zonlicht terug. Verwachte fout: de maan een planeet noemen. Syllabus E1.1.

Een ster heeft T = 1,2·10⁴ K. Bereken λmax.

A

2,4·10² nm

B

2,4·10⁻⁷ nm

C

3,5·10¹ nm

D

4,1·10⁶ nm

λmax = kW/T = 2,898·10⁻³ / 1,2·10⁴ = 2,4·10⁻⁷ m = 2,4·10² nm. Verwachte fouten: de eenheid m laten staan als nm (2,4·10⁻⁷ nm), kW·T (3,5·10¹) of T/kW (4,1·10⁶). Syllabus E1.4.

Wat is een planetenstelsel?

A

Een groep van vele sterrenstelsels

B

Het sterrenstelsel van onze zon

C

Een ster met planeten die eromheen draaien

D

Een groep manen om een planeet

Een planetenstelsel is een ster met zijn planeten, zoals ons zonnestelsel. Verwachte fout: planetenstelsel met sterrenstelsel verwarren. Syllabus E1.4: structuren.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · E1 · ZONNESTELSEL EN HEELAL

Goed gedaan!

Je kunt nu uitleggen hoe het zonnestelsel en het heelal in elkaar zitten, en je rekent met lichtjaren en de wet van Wien.

Cet élément n'a pas d'instructions