Uitleg en oefenen werkwoorden 2

In today's lesson:

Uitleg en oefenen onregelmatige werkwoorden (irregular verbs)

1 / 23
suivant
Slide 1: Diapositive
EngelsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 2

Cette leçon contient 23 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 2 vidéos.

time-iconLa durée de la leçon est: 60 min

Éléments de cette leçon

In today's lesson:

Uitleg en oefenen onregelmatige werkwoorden (irregular verbs)

Slide 1 - Diapositive

Lesson goals
- Je kunt een zin in de Past Simple zetten met een regelmatig werkwoord.
- Je weet van een aantal onregelmatige werkwoorden de verleden tijd.

Slide 2 - Diapositive

Slide 3 - Vidéo

Schrijf de verleden tijd op van:
walk

Slide 4 - Question ouverte

Regelmatige werkwoorden
Zijn ook wel bekend als 'zwakke' werkwoorden.​

Ze hebben vaste spellingsregels.​
Eindigen in de verleden tijd en voltooide tijd altijd op –d- of –ed- ​










Slide 5 - Diapositive

Wanneer ED/ D
1: Regelmatige werkwoorden die in de verleden tijd en voltooide tijd eindigen op –ed- ​
Ask, asked, have asked​
Look, looked, have looked​
2: Regelmatige werkwoorden die eindigen op een –e- in de verleden tijd en voltooide tijd eindigen op –d- ​
Live, lived, have lived​
Believe, believed, have believed









Slide 6 - Diapositive

Voltooid deelwoord
Om een voltooide tijd te maken, heb je altijd een hulpwerkwoord nodig.​


I have waited – Ik heb gewacht​
He has paid – Hij heeft betaald


Slide 7 - Diapositive

Schrijf de verleden tijd op van:
visit

Slide 8 - Question ouverte

Schrijf de verleden tijd op van:
explain

Slide 9 - Question ouverte

Slide 10 - Vidéo

irregular verbs - practice
fall-->fell
get-->got
put-->put
take-->took
give-->gave
see-->saw
eat-->ate

Slide 11 - Diapositive

Schrijf de verleden tijd op van:
fall (vallen)

Slide 12 - Question ouverte

Schrijf de verleden tijd op van
get (krijgen)

Slide 13 - Question ouverte

Schrijf de verleden tijd op van:
put (plaatsen/zetten)

Slide 14 - Question ouverte

Schrijf de verleden tijd op van:
take (nemen)

Slide 15 - Question ouverte

Schrijf de verleden tijd op van:
give (geven)

Slide 16 - Question ouverte

Schrijf de verleden tijd op van:
see (zien)

Slide 17 - Question ouverte

Schrijf de verleden tijd op van:
eat (eten)

Slide 18 - Question ouverte

Slide 19 - Lien

Slide 20 - Lien

Slide 21 - Lien

Slide 22 - Lien

Slide 23 - Lien