CONSUMPTIE · BEHOEFTEN
Quiz
Terugblik: Behoeften en schaarste
CONSUMPTIE · BEHOEFTEN
Quiz
Terugblik: Behoeften en schaarste
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Michiel1972 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Welk voorbeeld is een dienst?
Een tube tandpasta
Een nieuwe tandenborstel
Een bezoek aan de tandarts
Een pak kauwgom
Een dienst is immaterieel. De andere opties zijn goederen.
Waarvan hangt het af of iets een luxe goed is?
Van de prijs in de winkel
Van het inkomen van de consument
Van het gewicht van het product
Van het merk op de verpakking
Wat luxe is, hangt af van je inkomen.
Vul in
Een dienst is immaterieel, een goed kun je wel vastpakken, zoals een fiets.
Goed is materieel, dienst immaterieel.
Zet op volgorde, van eerst naar laatst
Beperkte middelen, prioriteiten, basis eerst, dan overige.
Anna heeft 50 euro. Brood en melk kosten 15 euro, een game 60 euro. Wat klopt?
Ze kan de game kopen en het brood niet
Ze kan alles kopen
Ze kan niets kopen
Ze kan het brood en de melk kopen, de game niet
15 is minder dan 50, 60 is meer dan 50.
Wat betekent zeldzaamheid?
Je hebt te weinig geld voor je wensen
Een product dat je niet nodig hebt
Een product dat gratis is
Er is maar weinig van een product
Zeldzaamheid gaat over weinig aanwezig zijn. Te weinig geld is schaarste.
Welk voorbeeld is een collectieve voorziening?
Een broodje bij de bakker
Een openbare bibliotheek
Groente uit de eigen tuin
Een kapper in de stad
De overheid maakt het voor iedereen.
Wat is een voorbeeld van zelfvoorziening?
Je koopt soep in de supermarkt
De gemeente zet een soepkeuken op
Je maakt zelf soep voor het hele gezin
Je ruilt soep tegen een boek
Zelf maken voor eigen gebruik. De andere opties zijn kopen, collectief en directe ruil.
Wat is geld bij indirecte ruil?
Het ruilmiddel tussen kopers en verkopers
Een gebruiksgoed dat je opspaart
Een dienst van de overheid
Een basisbehoefte van het gezin
Bij indirecte ruil is geld het ruilmiddel.
Vul in
Chartaal geld bestaat uit munten en biljetten, giraal geld staat op de bankrekening van de klant.
Contant tegenover op de rekening.
Geld maakt ruil makkelijker. Wat bevordert dat?
Meer zelfvoorziening in elk gezin
Maatschappelijke arbeidsverdeling
Directe ruil tussen alle mensen
Minder verschillende beroepen
Makkelijke ruil bevordert arbeidsverdeling en beroepsspecialisatie.
Noem één voorbeeld van een basisbehoefte.
Goed: eten, drinken, kleding of een dak boven je hoofd. Verwachte fout: een game of uitgaan noemen (overige behoeften).
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
CONSUMPTIE · BEHOEFTEN
Goed gedaan!
Je kent nu behoeften, goederen en diensten, schaarste, ruil en geld. Gebruik bij elke examenvraag: welk begrip past bij de casus?
Cet élément n'a pas d'instructions