Behoeften en schaarste (Economie vmbo), les 3: Terugblik quiz

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Quiz

Terugblik: Behoeften en schaarste

1 / 15
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

Cette leçon contient 15 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblikquiz met twaalf vragen over behoeften, goederen, schaarste, ruil en geld voor de leerlingen van vmbo.

Éléments de cette leçon

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Quiz

Terugblik: Behoeften en schaarste

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Michiel1972 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Welk voorbeeld is een dienst?

A

Een tube tandpasta

B

Een nieuwe tandenborstel

C

Een bezoek aan de tandarts

D

Een pak kauwgom

Een dienst is immaterieel. De andere opties zijn goederen.

Waarvan hangt het af of iets een luxe goed is?

A

Van de prijs in de winkel

B

Van het inkomen van de consument

C

Van het gewicht van het product

D

Van het merk op de verpakking

Wat luxe is, hangt af van je inkomen.

Vul in

Een dienst is immaterieel, een goed kun je wel vastpakken, zoals een fiets.

dienst
goed
behoefte
ruilmiddel

Goed is materieel, dienst immaterieel.

Zet op volgorde, van eerst naar laatst

1

Je stelt prioriteiten

2

Je merkt dat tijd en geld beperkt zijn

3

Daarna koop je overige behoeften als er geld is

4

Je betaalt eerst de basisbehoeften

Beperkte middelen, prioriteiten, basis eerst, dan overige.

Anna heeft 50 euro. Brood en melk kosten 15 euro, een game 60 euro. Wat klopt?

A

Ze kan de game kopen en het brood niet

B

Ze kan alles kopen

C

Ze kan niets kopen

D

Ze kan het brood en de melk kopen, de game niet

15 is minder dan 50, 60 is meer dan 50.

Wat betekent zeldzaamheid?

A

Je hebt te weinig geld voor je wensen

B

Een product dat je niet nodig hebt

C

Een product dat gratis is

D

Er is maar weinig van een product

Zeldzaamheid gaat over weinig aanwezig zijn. Te weinig geld is schaarste.

Welk voorbeeld is een collectieve voorziening?

A

Een broodje bij de bakker

B

Een openbare bibliotheek

C

Groente uit de eigen tuin

D

Een kapper in de stad

De overheid maakt het voor iedereen.

Wat is een voorbeeld van zelfvoorziening?

A

Je koopt soep in de supermarkt

B

De gemeente zet een soepkeuken op

C

Je maakt zelf soep voor het hele gezin

D

Je ruilt soep tegen een boek

Zelf maken voor eigen gebruik. De andere opties zijn kopen, collectief en directe ruil.

Wat is geld bij indirecte ruil?

A

Het ruilmiddel tussen kopers en verkopers

B

Een gebruiksgoed dat je opspaart

C

Een dienst van de overheid

D

Een basisbehoefte van het gezin

Bij indirecte ruil is geld het ruilmiddel.

Vul in

Chartaal geld bestaat uit munten en biljetten, giraal geld staat op de bankrekening van de klant.

Chartaal geld
giraal geld
directe ruil
schaarste

Contant tegenover op de rekening.

Geld maakt ruil makkelijker. Wat bevordert dat?

A

Meer zelfvoorziening in elk gezin

B

Maatschappelijke arbeidsverdeling

C

Directe ruil tussen alle mensen

D

Minder verschillende beroepen

Makkelijke ruil bevordert arbeidsverdeling en beroepsspecialisatie.

Noem één voorbeeld van een basisbehoefte.

Goed: eten, drinken, kleding of een dak boven je hoofd. Verwachte fout: een game of uitgaan noemen (overige behoeften).

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

CONSUMPTIE · BEHOEFTEN

Goed gedaan!

Je kent nu behoeften, goederen en diensten, schaarste, ruil en geld. Gebruik bij elke examenvraag: welk begrip past bij de casus?

Cet élément n'a pas d'instructions