Huren, kopen en hypotheek (Bedrijfseconomie havo), les 3: Terugblik quiz

Woonhuizen in Goirle

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Quiz

Terugblik: Huren, kopen en hypotheek

1 / 14
suivant
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

Cette leçon contient 14 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblik met een quiz van elf vragen over huren, kopen en hypotheek, met rekenvragen over interest en aflossing.

Éléments de cette leçon

Woonhuizen in Goirle

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Quiz

Terugblik: Huren, kopen en hypotheek

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: UitGoirle / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Wat is een nadeel van kopen vergeleken met huren?

A

Je betaalt zelf het onderhoud van de woning

B

Je hebt geen invloed op de inrichting

C

De verhuurder bepaalt wanneer je vertrekt

D

Je bouwt geen eigendom in de woning op

Syllabus 11.3.1. Onderhoud is bij kopen voor eigen rekening, bij huren (groot onderhoud) voor de verhuurder. De afleiders beschrijven juist huren.

Vul in

Bij een annuïteitenlening blijft de totale jaarlast gelijk: de interest daalt en de aflossing stijgt.

jaarlast
interest
aflossing
restschuld
rente

Syllabus 11.3.3 en 11.3.4. Verwachte fout: restschuld invullen, die daalt ook maar is geen betaling.

Lineaire lening: € 120.000, 20 jaar, 3%. Wat is de totale last in jaar 3?

A

€ 9.420

B

€ 9.600

C

€ 9.240

D

€ 3.240

Syllabus 11.3.4. Aflossing 120.000 / 20 = 6.000. Restschuld na twee jaar 108.000. Interest jaar 3: 3% van 108.000 = 3.240. Totaal 9.240. Nagerekend: 3.240 + 6.000 = 9.240. Fouten: 9.420 is jaar 2 (114.000 x 3% = 3.420), 9.600 is jaar 1 (3.600 + 6.000), 3.240 is alleen de interest.

Jaar 1: interest € 5.000, aflossing € 3.024. Jaar 2: interest € 4.849, aflossing € 3.175. Welke vorm?

A

Een lineaire lening: de aflossing is gelijk

B

Een annuïteitenlening: de totale last is gelijk

C

Een lineaire lening: de totale last daalt

D

Een annuïteitenlening: de interest is gelijk

Syllabus 11.3.3. Beide jaren is de totale last 8.024 (5.000 + 3.024 en 4.849 + 3.175), terwijl de aflossing stijgt. Dat is een annuïteitenlening. Verwachte fout: lineair kiezen omdat de interest daalt.

Waarom wordt het belastingvoordeel van de hypotheekrente in de loop der jaren kleiner?

A

De aflossing groeit en telt ook als aftrekpost

B

Het belastingtarief daalt elk jaar vanzelf

C

Het huis wordt in de loop der jaren minder waard

D

De restschuld daalt, dus de interest daalt

Syllabus 11.3.5. Belastingvoordeel = interest x tarief. Een lagere interest geeft een lager voordeel. De aflossing is geen aftrekpost.

Welke uitspraak over huren klopt?

A

De huurder bouwt via de huur eigendom op

B

De huurder trekt de huur af van de belasting

C

De huurder profiteert van een waardestijging

D

De huurder hoeft geen koopsom of hypotheek te regelen

Syllabus 11.3.1. Voor huren is geen koopsom nodig. Een huurder wordt geen eigenaar, trekt de huur niet af en heeft niets aan een waardestijging van de woning.

Lening, rente en looptijd zijn gelijk. Hoe verhoudt de aflossing in jaar 1 zich?

A

Annuïteit heeft in jaar 1 een hogere aflossing

B

Lineair heeft in jaar 1 een hogere aflossing

C

De aflossing is in beide vormen even hoog

D

Lineair heeft in jaar 1 geen aflossing

Syllabus 11.3.5. Bij lineair is de aflossing lening gedeeld door looptijd. Bij annuïteit is de aflossing in jaar 1 de annuïteit min een grote interest, dus lager. Verwachte fout: denken dat een vaste jaarlast ook een gelijke aflossing betekent.

Noem een voordeel van de annuïteitenlening.

Een goed antwoord: een vaste jaarlast die voorspelbaar is, of een lagere last in het begin dan bij lineair. Verwachte fout: dat de annuïteit goedkoper is in totaal, dat klopt niet.

Lineaire lening € 270.000, 30 jaar. Hoeveel is de restschuld na 10 jaar?

A

€ 90.000

B

€ 261.000

C

€ 180.000

D

€ 243.000

Syllabus 11.3.4. Aflossing per jaar 270.000 / 30 = 9.000. Na 10 jaar is 90.000 afgelost. Restschuld 270.000 - 90.000 = 180.000. Nagerekend: 180.000 / 9.000 = 20 jaar over. Fouten: 90.000 is het afgeloste bedrag; 261.000 is de restschuld na één jaar; 243.000 is 90% van de lening.

Wie vergelijkt hypotheekvormen en adviseert wat bij jouw situatie past?

A

De hypotheekadviseur

B

De makelaar

C

De notaris

D

De hypotheeknemer

Syllabus 11.3.2. De hypotheekadviseur adviseert. De hypotheeknemer is de bank, de makelaar bemiddelt bij de koop en de notaris legt de akte vast.

Lisa verwacht dat huizenprijzen dalen. Welk argument voor huren past hierbij?

A

Een huurder krijgt hypotheekrenteaftrek

B

Een huurder draagt het risico van waardedaling niet

C

Een huurder bouwt eigendom in het huis op

D

Een huurder heeft altijd lagere maandlasten

Syllabus 11.3.1. De eigenaar draagt de waardeverandering van de woning, de huurder niet. Maandlasten van huren zijn niet altijd lager dan van kopen.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Goed gedaan!

Je kunt nu huren en kopen vergelijken, de partijen op de hypotheekmarkt noemen en de interest, aflossing en het belastingvoordeel van een hypotheek berekenen.

Cet élément n'a pas d'instructions