Een foodtruck met klanten bij het afhaalluik, Austin (Texas)
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Ondernemingsplan en oprichting
Examenstof bedrijfseconomie vwo
Een foodtruck met klanten bij het afhaalluik, Austin (Texas)
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Ondernemingsplan en oprichting
Examenstof bedrijfseconomie vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: B2 12.2 en 12.3. Image credit: Kurtkaiser / Wikimedia Commons, CC0
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Wat ga je kunnen?
Ik kan de onderdelen van een ondernemingsplan opstellen en beoordelen op samenhang en de oprichtingsverplichtingen van een eenmanszaak noemen.
Cet élément n'a pas d'instructions
Je start een eigen foodtruck. Welke woorden horen bij het plan dat je daarvoor schrijft?
Verwachte woorden: ondernemingsplan, kosten, lening, klanten, concurrent, prijs, motivatie, vergunning, Kamer van Koophandel. Sorteer ze later in de les bij persoonlijk plan, marketingplan, financieel plan en oprichting. Deze les gaat over de inhoud en samenhang van het plan en over de oprichtingsverplichtingen. De keuze voor een rechtsvorm komt in een ander onderwerp aan bod.
Team werkt een plan uit. Foto: UCT MOOCs, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Het ondernemingsplan
Een ondernemingsplan bestaat uit een persoonlijk plan, een marketingplan en een financieel plan.
Lezers zoals een bank of partner beoordelen of het idee en de ondernemer kans van slagen hebben.
De drie delen horen samen te hangen: de omzet in het financieel plan steunt op het marketingplan.
Een eenmanszaak is het uitgangspunt: jij als ondernemer maakt de keuzes.
Syllabus 12.2: in de rol van ondernemer de onderdelen van een ondernemingsplan opstellen. Op vwo-niveau gaat het niet alleen om noemen wat erin staat, maar ook om beoordelen of de delen op elkaar aansluiten. Vraag leerlingen welk plandeel volgens hen het eerst wordt gelezen door een bank. Veelgemaakte fout: het ondernemingsplan zien als alleen een financieel plan. Image credit: UCT MOOCs / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Een foodtruck met klanten bij het afhaalluik, Austin (Texas)
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Het persoonlijk plan
Het persoonlijk plan laat zien wie de ondernemer is en of die bij het bedrijf past.
Persoonlijke gegevens: naam, opleiding en werkervaring.
Persoonlijke motieven: waarom je wilt ondernemen, bijvoorbeeld zelfstandig zijn of een passie volgen.
Persoonlijke kwaliteiten: wat je kunt, zoals vakkennis, organiseren of klantgericht werken.
Syllabus 12.2.1: persoonlijk plan met persoonlijke gegevens, motieven en kwaliteiten. Voorbeeld bij de foto: Lieke wil een foodtruck beginnen. Gegevens: horecaopleiding en drie jaar werkervaring in een keuken. Motief: een eigen concept. Kwaliteit: creatief koken. Veelgemaakte fout: motief en kwaliteit door elkaar halen. Een motief is waarom je het wilt, een kwaliteit is wat je kunt. Image credit: Kurtkaiser / Wikimedia Commons, CC0
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Persoonlijk plan beoordelen
Een goed persoonlijk plan is concreet: opleiding, ervaring en voorbeelden, niet alleen 'ik ben ambitieus'.
Beoordeel of de kwaliteiten passen bij wat het bedrijf nodig heeft: goed koken is nog geen ondernemen.
Ontbreekt een kwaliteit, bijvoorbeeld financiële kennis? Dan kun je een cursus volgen of een adviseur inschakelen.
Beoordeel ook de motieven: hou je het vol als de omzet in het begin tegenvalt?
Een bank leest dit deel om te zien of de ondernemer het bedrijf ook echt kan runnen.
Syllabus 12.2.1: een persoonlijk plan opstellen en beoordelen. Laat leerlingen een eigen idee kiezen en benoemen welke kwaliteit nog ontbreekt en hoe ze dat oplossen. Veelgemaakte fout: kwaliteiten opsommen zonder bewijs of voorbeeld.
Lieke is chef-kok en start een foodtruck. Ze weet weinig van geldzaken. Wat is het beste advies?
Een cursus volgen of een adviseur inschakelen
Dit weglaten uit haar persoonlijk plan
Haar kookkwaliteiten in het plan uitvergroten
Een extra lening aanvragen bij de bank
Syllabus 12.2.1: een persoonlijk plan beoordelen. Een ontbrekende kwaliteit los je op met scholing of hulp, en je benoemt dat eerlijk in het plan. Verwachte fout: de zwakte weglaten, maar een bank wil juist zien dat de ondernemer weet wat er ontbreekt.
Vul in
Een goed persoonlijk plan is concreet: het noemt opleiding en ervaring. Ook kijk je of de kwaliteiten passen bij wat het bedrijf nodig heeft.
Syllabus 12.2.1: een persoonlijk plan beoordelen. Verwachte fout: ambitieus, maar alleen ambitie noemen is juist te vaag; doelgroepen horen bij het marketingplan.
Bloemenkraam, markt Dordrecht, 2014. Foto: Bert Knot, CC BY-SA 2.0
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Doelgroep en concurrentie
Doelgroepen: de klanten op wie je je richt, beschreven met bijvoorbeeld leeftijd, woonplaats en wensen.
Beschrijf je doelgroep zo concreet mogelijk: 'iedereen' is geen doelgroep.
Concurrentie: bedrijven die dezelfde klanten bedienen, zoals andere kramen of de supermarkt.
Beschrijf waarin jij je onderscheidt van de concurrentie: daarop bouw je je marketingmix.
Syllabus 12.2.2: het marketingplan met doelgroepen en concurrentie. Bij de foto: wie is de doelgroep van deze kraam en wie is de concurrent (andere kramen, de supermarkt, een bloemist)? Veelgemaakte fout: 'iedereen' als doelgroep noemen of denken dat er geen concurrentie is. Image credit: Bert Knot / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0
Ginnekenstraat in Breda. Foto: G.Lanting, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
SWOT-analyse
Een SWOT-analyse zet vier invalshoeken naast elkaar: sterkten, zwakten, kansen en bedreigingen.
Sterkten en zwakten zijn intern: ze gaan over jouw bedrijf en jezelf als ondernemer.
Kansen en bedreigingen zijn extern: ze komen uit de omgeving, zoals concurrentie, klantgedrag of regelgeving.
Voorbeeld: een drukke winkelstraat is een kans, een nieuwe keten in dezelfde straat een bedreiging.
Syllabus 12.2.2: SWOT-analyse (de commissie heeft de SWOT bewust gehandhaafd). De test is: kan ik dit zelf veranderen? Dan is het intern. Komt het van buiten, dan is het extern. Concurrentie, veranderend klantgedrag en regelgeving leveren vooral kansen en bedreigingen op. Veelgemaakte fout: een sterkte van de concurrent als eigen sterkte noteren, of de ligging van het eigen pand extern noemen. Image credit: G.Lanting / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Doelstellingen en marketingmix
Marketingdoelstellingen zijn concrete doelen voor de markt, zoals een aantal vaste klanten of een marktaandeel.
Een goede doelstelling is meetbaar en heeft een termijn: '150 vaste klanten binnen een jaar'.
De marketingmix is de combinatie van marketinginstrumenten, bijvoorbeeld de 4 P's: product, prijs, plaats en promotie.
De vier instrumenten passen bij elkaar en bij de doelgroep en de doelstelling.
Zo beoordeel je een marketingplan: sluiten analyse, doelstellingen en mix op elkaar aan?
Syllabus 12.2.2: marketingdoelstellingen en marketingmix. De uitwerking van het marketingbeleid komt in een eigen onderwerp (4P en 4C); hier gaat het om wat in het plan hoort en of het klopt. Veelgemaakte fout: een doelstelling als 'zo veel mogelijk klanten' noemen, die is niet meetbaar.
Nadia's lunchbar ligt in een kantorenwijk. De gemeente kondigt aan dat er veel nieuwe kantoren komen. Wat is dit?
Een sterkte (intern)
Een zwakte (intern)
Een kans (extern)
Een bedreiging (extern)
Syllabus 12.2.2: een verandering in de omgeving die voordeel kan opleveren is een kans. Verwachte fout: sterkte, omdat het ten goede komt aan de lunchbar, maar de verandering komt van buiten.
Welk gegeven hoort bij de concurrentie in Nadia's marketingplan?
Nadia heeft vijf jaar werkervaring in de horeca
Een broodjeszaak om de hoek vraagt € 7,50 voor een lunch
Haar klanten zijn vooral kantoormedewerkers
De huur van het pand is € 1.500 per maand
Syllabus 12.2.2: concurrentie zijn bedrijven die dezelfde klanten bedienen. Werkervaring hoort in het persoonlijk plan, de kantoormedewerkers zijn de doelgroep en de huur is een kostenpost in het financieel plan. Verwachte fout: de doelgroep kiezen, omdat die ook in het marketingplan staat.
Terras van een restaurant, Domburg, 2019. Foto: G.Lanting, CC BY 4.0
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Het financieel plan
Het financieel plan laat zien wat het bedrijf kost, hoe je het betaalt en of het kan blijven draaien.
Het bestaat uit vier begrotingen: investering, financiering, exploitatie en liquiditeit.
Een begroting is een berekening vooraf met geschatte bedragen, gebaseerd op het marketingplan.
Uitwerken met beginbalans en eindbalans oefen je bij Financiële feiten en begrotingen.
Syllabus 12.2.3: het financieel plan met investerings-, financierings-, exploitatie- en liquiditeitsbegroting. In deze les gaat het om wat elke begroting inhoudt en hoe ze samenhangen. Het opstellen met beginbalans en geprognosticeerde eindbalans (syllabus 28.3) komt in een ander onderwerp. Bij de foto: welke investeringen horen bij dit terras? Veelgemaakte fout: de vier begrotingen door elkaar halen. Image credit: G.Lanting / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Investering en financiering
De investeringsbegroting toont wat je moet aanschaffen om te starten, zoals inventaris, voorraad en opstartkosten.
De financieringsbegroting toont waarmee je dat betaalt: eigen vermogen (eigen inbreng), vreemd vermogen (lening) of allebei.
Het totaal van de financiering moet het totaal van de investeringen dekken, anders kun je niet starten.
Voorbeeld: investeringen € 12.000 en eigen inbreng € 5.000, dan is € 7.000 vreemd vermogen nodig.
Hoe groter jouw eigen inbreng, hoe kleiner het risico voor de bank.
Syllabus 12.2.3: investeringsbegroting en financieringsbegroting. Investering is waaraan je geld uitgeeft, financiering is waar het geld vandaan komt: twee kanten van dezelfde som. Uitwerking voorbeeld: 12.000 min 5.000 is 7.000. Veelgemaakte fout: de twee begrotingen verwisselen of de eigen inbreng niet van de investering aftrekken.
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Exploitatie en liquiditeit
De exploitatiebegroting toont verwachte opbrengsten en kosten over een periode, dus het verwachte resultaat.
De liquiditeitsbegroting toont verwachte ontvangsten en uitgaven per periode: is er genoeg geld om te betalen?
Eindsaldo = beginsaldo + ontvangsten min uitgaven. Een negatief eindsaldo betekent dat je extra geld moet regelen.
Afschrijving en interest zijn kosten. Afschrijving is geen uitgave. Aflossing is wel een uitgave, maar geen kost.
Verkoop op rekening is een opbrengst, maar pas een ontvangst als de klant betaalt; een privéopname is een uitgave, geen kost.
Syllabus 12.2.3 met 28.2 en 28.4: exploitatiebegroting rekent per periode (periodetoerekening), liquiditeitsbegroting rekent met geldstromen. Interest is een kost die ook een uitgave is, aflossing is alleen een uitgave. Bij een eenmanszaak is een privéopname geen kost voor de zaak. Veelgemaakte fout: denken dat een positief resultaat betekent dat er genoeg geld is.
Wat moet er kloppen tussen de investerings- en de financieringsbegroting?
Het eigen vermogen is minstens zo groot als het vreemd vermogen
De financiering is gelijk aan de verwachte jaaromzet
Al het vreemd vermogen is gelijk aan de totale investering
Het totaal van de financiering dekt het totaal van de investeringen
Syllabus 12.2.3: de financiering moet de investeringen dekken, de verhouding eigen en vreemd vermogen mag verschillen. Verwachte fout: vreemd vermogen gelijk aan de investering, dat geldt alleen als er geen eigen inbreng is.
Een lening van € 6.000 wordt dit jaar voor € 1.000 afgelost. Wat geldt voor die aflossing?
Een kost in de exploitatiebegroting en een uitgave
Alleen een kost in de exploitatiebegroting
Een nieuwe post in de investeringsbegroting
Een uitgave in de liquiditeitsbegroting, maar geen kost
Syllabus 12.2.3 en 28 (aflossen van schulden, interest op schulden): aflossing verkleint de schuld en is dus geen kost; er gaat wel geld weg. Alleen de interest over de lening is een kost. Verwachte fout: aflossing als kost zien.
Kamer van Koophandel aan het Nassauplein in Haarlem (archieffoto)
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Oprichtingsverplichtingen
Een eenmanszaak heeft oprichtingsverplichtingen. Ze kosten tijd en soms geld: regel ze vóór je startdatum.
Inschrijving bij de Kamer van Koophandel: je bedrijf komt in het openbare Handelsregister.
Vergunningen: alleen als je activiteit erom vraagt, zoals voor een terras met alcohol of een standplaats op straat.
De KvK keurt je plan niet goed: inschrijven is registreren, geen toestemming vragen.
Syllabus 12.3: de oprichtingsverplichtingen van een eenmanszaak noemen: inschrijving bij de Kamer van Koophandel en vergunningen. Vergunningen hangen af van de activiteit en vraag je meestal bij de gemeente aan, bijvoorbeeld een alcohol- of terrasvergunning. Samenhang met het plan (syllabus 12.2): wachten op een vergunning bepaalt de startdatum, en de kosten horen in de begrotingen. Veelgemaakte fout: denken dat elke starter een vergunning nodig heeft, of dat de KvK het plan goedkeurt. Image credit: Poppe de Boer / Wikimedia Commons, CC0
Sem start vanuit huis een webwinkel in tweedehands boeken. Welke oprichtingsverplichting geldt zeker?
Een vergunning van de gemeente
Inschrijving bij de Kamer van Koophandel
Goedkeuring van zijn plan door de bank
Een akte van de notaris
Syllabus 12.3: elke eenmanszaak schrijft zich in bij de KvK. Een vergunning is alleen nodig als de activiteit erom vraagt, en voor deze webwinkel is dat niet zo. Een bank beoordeelt alleen een leningaanvraag en een notariële akte hoort niet bij een eenmanszaak. Verwachte fout: denken dat elke starter een vergunning nodig heeft.
Welk onderdeel was voor jou het lastigst?
Persoonlijk plan beoordelen
SWOT en marketingmix
De vier begrotingen
Oprichtingsverplichtingen
Gebruik de uitslag om te bepalen welk blok je nog een keer doorloopt.
Welk plandeel leest een bank het kritischst? Leg uit.
Een goed antwoord noemt een plandeel met reden, bijvoorbeeld het financieel plan omdat de bank wil weten of de lening terugbetaald kan worden, of het marketingplan omdat de omzetverwachting daarop steunt. Beloon antwoorden die de samenhang noemen.
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Begrippen (1/2)
persoonlijk plan: Gegevens, motieven en kwaliteiten van de ondernemer.
marketingplan: Doelgroepen, concurrentie, SWOT, marketingdoelstellingen en marketingmix.
SWOT-analyse: Sterkten en zwakten (intern), kansen en bedreigingen (extern).
marketingdoelstellingen: Meetbare doelen voor de markt, zoals klantbehoud of marktaandeel.
marketingmix: De combinatie van marketinginstrumenten, zoals de 4 P's.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING
Begrippen (2/2)
financieel plan: De vier begrotingen van het bedrijf.
investerings- en financieringsbegroting: Wat je aanschaft en waarmee je het betaalt.
exploitatie- en liquiditeitsbegroting: Verwachte opbrengsten en kosten, en ontvangsten en uitgaven.
oprichtingsverplichtingen: Inschrijving bij de KvK en de nodige vergunningen.
vergunningen: Toestemming van de overheid voor bepaalde activiteiten.
Cet élément n'a pas d'instructions