REAGEREN · GEDRAG
Gedrag bij mens en dier
Examenstof biologie vmbo
REAGEREN · GEDRAG
Gedrag bij mens en dier
Examenstof biologie vmbo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: BI/V/2, eindterm 21, specificatie 1 tot en met 5 (alleen GT). Image credit: Dave Crosby / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0
REAGEREN · GEDRAG
Wat ga je kunnen?
Ik kan gedrag van mens en dier beschrijven, onderzoeken en verklaren met begrippen als prikkel, respons, leren en sociaal gedrag.
Cet élément n'a pas d'instructions
Waar denk je aan bij het woord gedrag?
Verwacht: dieren, mensen, reageren, gewoontes, aangeleerd, instinct, ruzie, groepen. Koppel de woorden aan de les: prikkel en respons, onderzoek met een ethogram en protocol, leren, sociaal gedrag en voortplantingsgedrag. Veelgemaakte fout: denken dat gedrag alleen iets is wat je bewust doet. Ook onbewust en erfelijk gedrag is gedrag. Voor inwendige en uitwendige prikkels, gedrag als reeks handelingen en bewust gedrag: zie de les Zenuwstelsel, reflexen en gedrag. Deze les is alleen voor GL/TL.
REAGEREN · GEDRAG
Prikkel, respons en sleutelprikkel
Gedrag begint met een prikkel. Je kent al uitwendige prikkels en inwendige prikkels uit de les over het zenuwstelsel.
Het gedrag dat je ziet, is de respons: de reactie van een dier op een prikkel.
Soms werkt maar één kenmerk uit de omgeving als prikkel. Dat noem je een sleutelprikkel.
Een stekelbaarsmannetje valt in de voortplantingstijd een ander mannetje aan. De rode buik is de sleutelprikkel.
Ook een ruw model met een rode onderkant wordt aangevallen. Het gaat dus om de rode kleur.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 1: begrippen uitwendige prikkel, inwendige prikkel, sleutelprikkel, supranormale prikkel en respons. Inwendige en uitwendige prikkels zijn al behandeld in de les Zenuwstelsel, reflexen en gedrag; hier alleen kort herhaald. Bij de stekelbaars is de voortplantingstijd (hormonen) de inwendige prikkel, de rode buik van de rivaal de uitwendige prikkel. Veelgemaakte fout: de hele rivaal als prikkel zien. Het is één kenmerk, de rode kleur, dat de aanval opwekt.
Sleutelprikkel en supranormale prikkel bij een meeuwenkuiken
REAGEREN · GEDRAG
Supranormale prikkel
Jonge zilvermeeuwen pikken tegen de rode stip op de snavel van de ouder. Dan geeft de ouder voer.
De rode stip is de sleutelprikkel en het pikken is de respons.
Onderzoekers hielden een dun, rood stokje met witte strepen voor. De kuikens pikten nog harder.
Zo'n overdreven prikkel is een supranormale prikkel: hij werkt sterker dan de natuurlijke prikkel.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 1: supranormale prikkel. Het onderzoek met meeuwenkuikens is van Niko Tinbergen. Veelgemaakte fout: denken dat een supranormale prikkel in de natuur het gewone is. Het is een versterkte, vaak kunstmatige prikkel. Wijs op het schema: dezelfde respons, maar sterker. Image credit: Eigen tekening
Ethogram van een kip met codes en omschrijvingen
REAGEREN · GEDRAG
Gedrag onderzoeken: het ethogram
Je onderzoekt gedrag met veldwaarneming, een practicum of visueel materiaal, zoals een video.
Eerst maak je een ethogram: een beschrijving van alle gedragingen van een dier.
Elk gedrag krijgt een naam, een korte omschrijving en een code.
Zie je een gedrag dat nog niet in het ethogram staat? Dan voeg je een nieuwe code toe.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 2: ethogrammen en protocollen maken en interpreteren, met veldwaarnemingen, practicum en visueel materiaal. Laat leerlingen zelf een ethogram bedenken voor een huisdier. Veelgemaakte fout: in een omschrijving al een verklaring zetten (heeft honger). Een omschrijving beschrijft alleen wat je ziet. Image credit: Eigen tekening
Protocol van een kip: tien minuten, elke minuut een code
REAGEREN · GEDRAG
Gedrag onderzoeken: het protocol
Een protocol legt gedrag in de tijd vast, bijvoorbeeld elke minuut één code.
Je noteert wat je ziet, niet wat je denkt. Dus scharrelen, niet: heeft honger.
Onderzoek in vier stappen: kies dier en gedrag, maak een ethogram, noteer in een protocol, tel de codes.
Aan een protocol zie je hoe vaak en hoe lang een dier iets doet.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 2. Het protocol gebruikt de codes uit het ethogram. De volgorde van de vier stappen komt terug in de quiz. Veelgemaakte fout: ethogram en protocol door elkaar halen. Het ethogram is de lijst met gedragingen, het protocol is de reeks waarnemingen in de tijd. Image credit: Eigen tekening
Een stekelbaars valt een rood blokje aan, een grijs niet. Wat is de sleutelprikkel?
De vorm van het blokje
De grootte van het blokje
De beweging van het blokje
De rode kleur
De rode kleur is het ene kenmerk dat de aanval opwekt. Verwachte fout: de vorm kiezen, omdat leerlingen denken dat het hele model telt.
Vul in
Een ethogram beschrijft alle gedragingen van een dier en een protocol legt gedrag vast in de tijd.
Ethogram: de lijst van gedragingen met codes. Protocol: de waarnemingen in de tijd. Verwachte fout: de twee woorden omdraaien.
REAGEREN · GEDRAG
Erfelijk en aangeleerd gedrag
Een deel van het gedrag heb je niet geleerd. Dat is erfelijk gedrag: het zit in je erfelijke aanleg.
Voorbeeld: een jonge spin kan meteen een web maken, zonder het te leren.
Ander gedrag leer je door ervaring. Dat is aangeleerd gedrag.
Voorbeeld: een kind leert fietsen en een hond leert zitten.
Veel gedrag is een mengsel van beide: een dier erft de aanleg en leert er daarna bij.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 4: erfelijk en aangeleerd gedrag. Veelgemaakte fout: denken dat gedrag of erfelijk of aangeleerd is. Meestal werken ze samen.
REAGEREN · GEDRAG
Leren: drie vormen
Bij inprenten leert een jong dier kort na de geboorte wie het moet volgen, zoals ganzen die de eerste mens volgen.
Bij trial and error probeer je dingen uit. Wat lukt, onthoud je. Zo leert een kat een deurtje open te duwen.
Bij conditionering leert een dier een nieuwe prikkel te koppelen aan een reactie of beloning.
Pavlov gaf een hond eten na het geluid van een bel. Later kwijlde de hond al bij alleen de bel.
Zo train je ook huisdieren: gewenst gedrag krijgt een beloning.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 3 en 4: inprenten, trial and error en conditionering. Het inprenten van ganzen is bekend van Konrad Lorenz. Veelgemaakte fout: conditionering en trial and error door elkaar halen. Bij conditionering koppelt het dier een prikkel aan een beloning of reactie, bij trial and error ontdekt het dier zelf door te proberen wat werkt. Inprenten gebeurt alleen in een korte periode vlak na de geboorte.
Jonge ganzen volgen de eerste mens die ze zien. Welk leren is dit?
Trial and error
Conditionering
Geen leren, het is een reflex
Inprenten
Een jong dier volgt kort na de geboorte het eerste bewegende ding dat het ziet: inprenten. Verwachte fout: conditionering kiezen.
Een pasgeboren baby zuigt meteen aan een speen. Wat voor gedrag is dit?
Aangeleerd gedrag
Erfelijk gedrag
Gedrag door trial and error
Gedrag door conditionering
De baby heeft dit niet geleerd: het is erfelijk gedrag. Verwachte fout: aangeleerd kiezen, omdat de baby ervan leert drinken.
Een werkster van de honingbij
REAGEREN · GEDRAG
Sociaal gedrag in een groep
Bij rangorde heeft elk dier in de groep een eigen plek, van hoog naar laag. Bij kippen heet dat de pikorde.
Een dier hoger in rang eet eerst en krijgt de beste plek. Zo is er minder ruzie.
Een territorium is een gebied dat een dier verdedigt, zoals een merel die zingt en indringers wegjaagt.
Bij taakverdeling doet elk dier een eigen taak. In een bijenvolk zijn dat werksters en een koningin.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 3 en 4: rangorde, territoriumgedrag en taakverdeling binnen groepen. In een bijenvolk verzamelen werksters onder meer voedsel en legt de koningin de eitjes. Veelgemaakte fout: rangorde en territorium verwarren. Rangorde gaat over de plek in de groep, een territorium over een gebied. Image credit: Richard Bartz, Munich Makro Freak / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.5
REAGEREN · GEDRAG
Communicatie, voeding en verzorging
Dieren communiceren met geluid, geur en houding. Zo laten ze zien wat ze gaan doen.
Bij dreiggedrag laat een dier zien dat het kan aanvallen, zoals een hond die gromt en de tanden laat zien.
Bij imponeergedrag maakt een dier zich groot of mooi om indruk te maken. Een gevecht is dan vaak niet nodig.
Voedingsgedrag is alles wat een dier doet om aan voedsel te komen, zoals jagen, grazen of eten opslaan.
Verzorgingsgedrag is gedrag om de eigen vacht of die van een ander schoon te houden, zoals apen die elkaars vacht schoonmaken.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 3 en 4: communicatie, dreig- en imponeergedrag, voedingsgedrag en verzorgingsgedrag. Voorbeeld imponeergedrag voor in de klas: een hert dat luid burlt. Veelgemaakte fout: dreig- en imponeergedrag door elkaar halen. Bij dreigen laat het dier zien dat het kan aanvallen, bij imponeren laat het zien hoe sterk of groot het is.
Een pauwenmannetje spreidt de staart tijdens de balts
REAGEREN · GEDRAG
Voortplantingsgedrag
Voortplantingsgedrag verloopt vaak in vaste stappen.
Bij balts laat een dier zich zien aan een partner, zoals een pauw die de staart spreidt.
Daarna volgt het paringsgedrag, waarbij de dieren paren.
Bij broedzorg zorgen de ouders voor eieren of jongen, bijvoorbeeld door ze warm te houden en te voeden.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 4: balts, paringsgedrag en broedzorg. Veelgemaakte fout: balts en paringsgedrag door elkaar halen. Balts is het gedrag vooraf, paringsgedrag is het paren zelf. Image credit: Adrian Pingstone / Wikimedia Commons, publiek domein
REAGEREN · GEDRAG
Mens en dier vergelijken
Mensen hebben rolpatronen: verwachtingen over wat jongens, meisjes, mannen en vrouwen horen te doen.
Een norm is een regel voor je gedrag. Een waarde is iets wat je belangrijk vindt.
Een overeenkomst met dieren: mensen leren, vormen groepen en laten balts zien.
Een verschil: mensen bepalen veel gedrag met normen en waarden die ze afspreken. Bij dieren is dat veel minder zo.
Een standpunt over mens en dier onderbouw je met een overeenkomst, een verschil en een voorbeeld.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 4 en 5: rolpatronen, normen en waarden en een standpunt over de vergelijking van gedrag van mensen en dieren bediscussieren en beargumenteren. Rolpatronen en normen en waarden kunnen gevoelig liggen: houd het open en laat leerlingen verschillende meningen onderbouwen, bijvoorbeeld in tweetallen. Veelgemaakte fouten: norm en waarde door elkaar halen en een mening geven zonder argument of voorbeeld.
REAGEREN · GEDRAG
Gedrag toepassen
Winkels gebruiken prikkels om je gedrag te sturen. Consumentengedrag is het gedrag van kopers.
Voorbeeld: een winkel zet snoep bij de kassa. Je ziet het snoep (prikkel) en pakt het (respons).
Bij verantwoorde behuizing van (landbouw)huisdieren kijk je naar het ethogram: kan het dier natuurlijk gedrag laten zien?
Voorbeeld: varkens wroeten graag in de grond. Een stal met stro past daar beter bij dan een kale vloer.
Syllabus BI/V/2, eindterm 21 (alleen GT). Specificatie 1: contexten consumentengedrag en (verantwoorde) behuizing voor (landbouw)huisdieren. Veelgemaakte fout: denken dat verantwoorde behuizing alleen gaat om ruimte. Het gaat erom dat een dier zijn natuurlijke gedrag kan laten zien.
In een kippenhok eet altijd dezelfde kip eerst, daarna pas de rest. Welk gedrag is dit?
Territoriumgedrag
Taakverdeling
Rangorde
Imponeergedrag
De kippen hebben een vaste volgorde: rangorde (pikorde). Verwachte fout: taakverdeling kiezen.
Een pauw spreidt de staart voor een vrouwtje. Welk voortplantingsgedrag is dit?
Balts
Paringsgedrag
Broedzorg
Dreiggedrag
Balts komt voor het paren. Verwachte fout: paringsgedrag kiezen, omdat het om voortplanting gaat.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Prikkels en respons
Ethogram en protocol
Vormen van leren
Sociaal gedrag en voortplanting
Bespreek het onderdeel met de meeste stemmen de volgende les nog eens met een voorbeeld.
Welk gedrag van een dier wil jij beter begrijpen?
Open reflectie. Laat leerlingen een dier kiezen en vragen welk gedrag ze bij dat dier zouden willen onderzoeken met een ethogram.
REAGEREN · GEDRAG
Begrippen (1/2)
sleutelprikkel: Eén kenmerk uit de omgeving dat een bepaald gedrag opwekt.
supranormale prikkel: Overdreven prikkel die sterker werkt dan de natuurlijke prikkel.
respons: De reactie van een dier op een prikkel.
ethogram: Beschrijving van alle gedragingen van een dier, met naam, omschrijving en code.
protocol: Overzicht van het gedrag in de tijd, met een code per waarneming.
Cet élément n'a pas d'instructions
REAGEREN · GEDRAG
Begrippen (2/2)
inprenten: Een jong dier leert kort na de geboorte wie het moet volgen.
trial and error: Leren door te proberen: wat lukt, onthoud je.
conditionering: Leren door een prikkel te koppelen aan een reactie of beloning.
rangorde: De vaste plek van elk dier in de groep, van hoog naar laag.
territorium: Gebied dat een dier verdedigt tegen indringers.
Cet élément n'a pas d'instructions