Zonlicht door het bladerdak van een moerbeiboom (foto: Loadmaster, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN
Examentraining
Eiwitten, suikers en vetten: zo pak je examenvragen aan
Zonlicht door het bladerdak van een moerbeiboom (foto: Loadmaster, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN
Examentraining
Eiwitten, suikers en vetten: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Loadmaster (David R. Tribble) / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan een examenvraag over biomoleculen beantwoorden met structuur, bindingen en enzymwerking.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: een formule, een structuur, een reactie of een grafiek?
2. Bepaal: gaat het om een koolhydraat, vet, eiwit of enzym?
3. Koppel: het structuurniveau, het bindingstype of de plek in het enzym-substraatcomplex.
4. Schrijf: noem het begrip en verklaar op microniveau, met eenheden bij berekeningen.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN
Vraagtype 1: rekenen aan biomoleculen
Molaire massa van een peptide of suiker: som van de eenheden min de vrijgekomen H₂O.
Voorbeeld: Gly-Gly is 2 × 75,07 − 18,02 = 132,12 g mol⁻¹. Gebruik M(glucose) = 180,16 en M(H₂O) = 18,02 g mol⁻¹.
Cet élément n'a pas d'instructions
Ala is C₃H₇NO₂, Ser is C₃H₇NO₃. Welke formule heeft het dipeptide?
C₆H₁₂N₂O₄
C₆H₁₄N₂O₅
C₆H₁₀N₂O₃
C₆H₁₂N₂O₅
Syllabus L1.3 (aminozuren, peptidebinding; de condensatie zelf staat in Organische reacties). C₃H₇NO₂ + C₃H₇NO₃ = C₆H₁₄N₂O₅; bij één peptidebinding gaat één H₂O af: C₆H₁₂N₂O₄. Fout C₆H₁₄N₂O₅: H₂O niet afgetrokken. Fout C₆H₁₀N₂O₃: twee H₂O afgetrokken. Fout C₆H₁₂N₂O₅: alleen twee H afgetrokken, de O vergeten.
Drie glucose-eenheden vormen maltotriose. Wat is M in g mol⁻¹?
540,48
504,44
522,46
486,42
Syllabus L1.3. Twee bindingen, dus twee H₂O af: 3 × 180,16 − 2 × 18,02 = 540,48 − 36,04 = 504,44 g mol⁻¹. Fout 540,48: geen H₂O afgetrokken. Fout 522,46: één H₂O afgetrokken. Fout 486,42: drie H₂O afgetrokken. Formule C₁₈H₃₂O₁₆ (controle: 18 × 12,011 + 32 × 1,008 + 16 × 15,999 = 504,44).
De vier soorten bindingen tussen restgroepen in de tertiaire structuur (eigen figuur)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN
Vraagtype 2: structuur en bindingen
Bepaal eerst het niveau: hoofdketen (secundair) of restgroepen (tertiair).
Zwakke bindingen: waterstofbrug, ionbinding, vanderwaals. Covalent: peptidebinding en S–S.
Image credit: Eigen figuur
Een eiwit in een ei verandert bij verhitten van vorm. Welke bindingen breken vooral?
De peptidebindingen in de hoofdketen
De C–H-bindingen in de restgroepen
Alleen de S–S-bruggen tussen restgroepen
Waterstofbruggen en zwakke bindingen
Syllabus L2.2 (structuur en optimum). Verhitting verbreekt vooral de zwakke bindingen van de secundaire en tertiaire structuur; de covalente peptidebindingen blijven intact. Fout 1: peptidebindingen zijn covalent en sterk. Fout 3: S–S-bruggen zijn covalent.
Waarom is een alfahelix secundair, niet tertiair?
Syllabus L1.3. Een goed antwoord: de alfahelix is een regelmatige vouwing van de hoofdketen door waterstofbruggen tussen N–H en C=O; de tertiaire structuur is de totale vorm door bindingen tussen restgroepen. Verwachte fout: alleen zeggen dat de helix korter is.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN
Vraagtype 3: vetten en formules
Tel de H-atomen: elke C=C geeft twee H-atomen minder dan het verzadigde vetzuur.
Een verzadigd vetzuur met n C-atomen heeft formule CₙH₂ₙO₂.
Cet élément n'a pas d'instructions
Een vetzuur heeft formule C₁₈H₃₀O₂ (geen ring). Hoeveel C=C-bindingen zijn er?
3
1
2
4
Syllabus L1.3. Verzadigd is C₁₈H₃₆O₂. Het verschil is 36 − 30 = 6 H-atomen, dus 6 : 2 = 3 C=C-bindingen. Fout 1 of 2: het verschil in H niet gedeeld door twee, of verkeerd geteld. Fout 4: delen door 1,5.
Waarom is een onverzadigd vet vaak vloeibaarder?
Syllabus L1.3 (structuur-eigenschap). Een cis-C=C geeft de keten een knik, de ketens passen minder dicht op elkaar, er zijn minder vanderwaalsbindingen en dus minder energie nodig om ze te scheiden. Verwachte fout: alleen zeggen dat er minder H-atomen zijn.
Enzymactiviteit tegen temperatuur en tegen pH voor twee enzymen (eigen figuur)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN
Vraagtype 4: enzymen en optimum
Verklaar met de actieve plaats: vorm én functionele groepen.
Buiten het optimum verandert de vorm of de lading en past het substraat niet meer.
Image credit: Eigen figuur
Verse ananas breekt gelatine af, ananas uit blik niet. Wat verklaart dit?
Het enzym is in het blik verbruikt
Het substraat is in het blik veranderd
Door verhitten vervormt de actieve plaats
Er is te weinig H₂O voor de binding
Syllabus L2.2 (temperatuuroptimum). Ananas in blik is verhit; daardoor verandert de vorm van de actieve plaats van het enzym en wordt gelatine, een eiwit, niet meer afgebroken. Een enzym wordt niet verbruikt (fout 1). Fout 2 en 3 hebben geen verband met de verhitting.
Waarom werkt een maagenzym niet bij pH 8?
Syllabus L2.2 (pH-optimum). Een goed antwoord: bij een andere pH verandert de lading van groepen in de actieve plaats en in de rest van het eiwit, de vorm verandert en het substraat bindt niet meer. Verwachte fout: zeggen dat het enzym wordt verbruikt of 'kapotgaat' zonder lading of vorm te noemen.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Rekenen aan biomoleculen
Structuur en bindingen
Vetten en formules
Enzymen en optimum
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · BIOMOLECULEN
Tips voor op het examen
Een open keten van n aminozuren heeft n − 1 peptidebindingen en geeft n − 1 H₂O.
Vraag bij structuur: gaat het om de hoofdketen (secundair) of om restgroepen (tertiair)?
Noem bij enzymen altijd vorm én functionele groepen van de actieve plaats.
Controleer formules door de C-, H- en O-atomen links en rechts te tellen.
Cet élément n'a pas d'instructions