Cette leçon contient 29 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 2 vidéos.
La durée de la leçon est: 60 min
Instructions
Start de les door op de button Start les te klikken
De link Printen biedt mogelijkheid om de slides en notities van de les te printen
Onder Instructies tref je een overzicht van de module met instructiefilmpjes
Onder Werkbladen tref je de LEF maandbegroting
Instructions
Feuilles de travail
Éléments de cette leçon
Welkom
bij het LEF-lesprogramma
Hoe ga jij goed met geld om?
Slide 1 - Diapositive
Vorm: open vraag, quizvraag, poll, filmpje en opdracht.
Na deze les:
weten studenten wat studiefinanciering, zorgverzekering en zorgtoeslag is en kennen ze het begrip sparen;
kunnen studenten een concreet spaardoel formuleren en nadenken over wat nodig is om dit doel te halen;
kunnen studenten hun belangrijkste inkomsten en uitgaven in kaart brengen in een maandbegroting;
kunnen studenten beoordelen hoeveel geld zij overhouden en of hun spaardoel haalbaar is;
kunnen studenten benoemen welke keuzes zij kunnen maken als hun inkomsten en uitgaven niet in balans zijn of als zij meer willen sparen;
weten studenten waar en bij wie zij hulp kunnen vragen als zij vragen of problemen hebben met geld.
Geef de studenten bij binnenkomst een blanco naamsticker of naambordje.
Vraag hen hun voornaam erop te schrijven en de sticker zichtbaar op te plakken/neer te zetten.
Heet de groep kort welkom.
Geef aan dat er tijdens de les veel vragen, keuzes en opdrachten voorbijkomen en dat actief meedoen belangrijker is dan alles al weten.
Vraag docent:
Wat wil jij vandaag leren over geld?
Eventueel:
Wat vind jij moeilijk met geld?
Meer hoeft hier niet.
Overgang: Eerst vertel ik kort wat we vandaag gaan doen.
Dit gaan we doen
Wie ben ik
Spelregels
Wat weet jij al over geld
Sparen
Wat komt erin en wat gaat eruit
Kiezen
Hulp
<ul><li>respectvol</li><li>naar elkaar luisteren</li><li>alles blijft binnen de 4 muren van dit lokaal</li><li>mobiel alleen gebruiken voor LessonUp</li></ul>
Slide 2 - Diapositive
Dit gaan we doen
Druk op het pinnetje en vertel de spelregels. Vertel dat de opdrachten vandaag in tweetallen gemaakt gaan worden.
Vraag:
Welk onderwerp ken je al?
Overgang: We beginnen met één woord: geld. Waar denk jij aan?
Waar denk je aan bij geld?
Slide 3 - Question ouverte
Waar denk je aan met geld?
Laat ze eerst alleen over deze vraag nadenken en dan met student die naast hun zit.
Laat ze vervolgens samen 1 antwoord invullen.
Vragen:
Waar gebruik jij geld voor?
Waar word je blij van als je aan geld denkt?
Kan geld ook zorgen geven?
Wanneer is kiezen met geld moeilijk?
Overgang: Iedereen denkt anders over geld. Nu kijken we wat jullie al weten.
Wat weet jij al over geld?
Slide 4 - Diapositive
Wat weet jij al over geld?
Overgang: De eerste vraag gaat over geld van DUO.
Je krijgt vanzelf studiefinanciering als je 18 wordt?
A
Ja
B
Nee
C
Weet ik niet
Slide 5 - Quiz
Je krijgt vanzelf studiefinanciering als je 18 wordt.
Deze stelling is niet waar. Je moet het zelf aanvragen. Leg uit dat je dit kunt doen via de website van DUO.
Aangezien op mbo 1 en 2 niveau studenten soms niet weten wat studiefinanciering is, staat optie C er bij.
Is optie C gekozen door studenten dan is het goed om in korte en simpele zinnen uit te leggen wat studiefinanciering is. Je kunt ook vragen of een van de medestudenten kan uitleggen wat studiefinanciering is. Als laatste is een optie om het filmpje op de volgende slide te laten zien. Hier wordt kort uitgelegd wat het is met ondertiteling.
Voorwaarde voor studiefinanciering vanaf je 18e is:
Het moet een BOL opleiding zijn. Dit is een opleiding waarbij je 5 dagen op school zit (geen BBL, leren en werken);
Het moet een voltijds opleiding zijn van minimaal 1 jaar.
Vragen:
Waar kun je checken of jij geld van DUO krijgt?
Wie kan jou helpen als je dit moeilijk vindt?
Overgang: We kijken nu kort naar een filmpje van DUO.
Slide 6 - Vidéo
Filmpje: Studiefinanciering mbo 1 en 2
In het filmpje wordt uitgelegd hoe de studiefinanciering is opgebouwd.
Het filmpje stopt automatisch bij 1.04 min.
Zeg vooraf:
Luister goed: wat moet je zelf regelen?
Na het filmpje:
Wat hoorde je?
Wat was nieuw?
Welk woord was moeilijk?
Overgang: Geld van DUO is één ding. Vanaf je 18e verandert er ook iets met je zorgverzekering.
Vanaf je 18e heb je een zorgverzekering
A
Ja
B
Nee
C
Weet ik niet
Slide 7 - Quiz
Vanaf je 18e heb je een zorgverzekering
Het juiste antwoord in A: Ja.
Dit is door de wet bepaald.
Vertel dat een zorgverzekering (een deel van) je dokter- of ziekenhuisrekening betaalt.
Je hebt twee opties:
je kunt zelf een zorgverzekering afsluiten
of je kunt meeverzekerd blijven op de polis van je ouders/verzorgers.
Doe je niets? Dan krijg je vanaf je 18e automatisch dezelfde zorgverzekering als je ouders/verzorgers.
Vragen:
Wie kan jou helpen dit te regelen?
Waarom kost dit vanaf 18 geld?
Moet je deze kosten meenemen in je overzicht van inkomsten en uitgaven?
Overgang: Een zorgverzekering kost geld. Soms krijg je hulp van de overheid.
De overheid betaalt een deel van je zorgverzekering.
A
Ja
B
Nee
C
Weet ik niet?
Slide 8 - Quiz
De overheid betaalt een deel van je zorgverzekering
Het juiste antwoord in A: Ja
Die hulp heet zorgtoeslag. Dat is geld dat je elke maand krijgt om je zorgverzekering te kunnen betalen.
Tip: Laat ze raden hoeveel het ongeveer is per maand (€ 130).
Aanvragen kan pas vanaf 18 jaar.
Wel alleen als je inkomen of vermogen niet te hoog zijn.
Vragen:
Moet je zorgtoeslag zelf aanvragen?
Waar vraag je het aan?
Wie kan je helpen?
Overgang: In het volgende filmpje zie je wat zorgtoeslag is en hoe je het aanvraagt.
0
Slide 9 - Vidéo
Film over zorgtoeslag
Dit filmpje gaat over de zorgverzekering en zorgtoeslag. Het eindigt automatisch op 0:46 min.
Vooraf:
Luister naar twee dingen:
Wat is zorgtoeslag?
Wat moet je zelf doen?
Na afloop:
Wat is zorgtoeslag?
Moet je het zelf aanvragen?
Waar doe je dat?
Overgang: Er is nog een andere manier waarop je soms geld terug kunt krijgen: belasting.
Je hebt een bijbaan. Soms betaal je te veel belasting. Kun je dit geld terugkrijgen?
Ja
Nee
Weet ik niet
Slide 10 - Sondage
Je hebt een bijbaan. Soms betaal je te veel belasting.
Kun je dit geld terugkrijgen?
Het juiste antwoord is Ja. Je doet dan belastingaangifte. Dan zie je of je geld terugkrijgt.
Als je werkt, betaal je belasting. Soms te veel. Dan kun je dat geld terugvragen aan de belastingdienst via een app of website van de Belastingdienst.
Extra: Vraag: Wie heeft al eens belasting teruggekregen?
Vragen:
Waarom controleren jongeren dit soms niet?
Wie kan je helpen met belastingaangifte?
Stel je krijgt € 100 terug. Wat doe je ermee?
Overgang: Misschien wil je een deel bewaren. Dat heet sparen.
Je kunt alleen geld sparen als je veel verdient.
Ja
Nee
Weet niet
Slide 11 - Sondage
Je kunt alleen sparen als je veel verdient.
Het juiste antwoord is: Nee.
Ook een klein bedrag telt. € 2 per week is na één jaar meer dan € 100.
Vragen:
Wat is makkelijker: elke week € 2 sparen of één keer € 100?
Wat maakt sparen moeilijk?
Kan iedereen elke maand sparen? Waarom niet?
Wat kan helpen om wél te sparen?
Overgang: Sparen kan dus ook met kleine bedragen. Waar kun je spaargeld apart zetten?
Moet iedereen een spaarrekening hebben?
Ja
Nee
Weet niet
Slide 12 - Sondage
Moet iedereen een spaarrekening hebben?
Het juiste antwoord is: Nee.
Het hoeft niet. Een spaarrekening kan wel helpen. Daar zet je geld apart.
Vragen:
Waarom is geld apart zetten handig?
Wat gebeurt er als al je geld op dezelfde rekening staat?
Overgang: Wat is het verschil tussen een betaalrekening en een spaarrekening?
Slide 13 - Diapositive
Verschil tussen betaalrekening en spaarrekening
Hier zie je in een afbeelding het verschil tussen beide rekeningen.
Leg uit:
Op je betaalrekening komt geld binnen. Je gebruikt dit om te betalen. Op een spaarrekening zet je geld apart voor later.
Vragen:
Welke rekening gebruik je voor boodschappen?
Waar zet je geld voor een fiets?
Waar komt je loon meestal binnen?
Overgang: Je weet nu waar je spaargeld kunt zetten. Maar waarvoor wil jij sparen?
Waarvoor spaar je?
Slide 14 - Diapositive
Waarvoor spaar je?
Vragen:
Waarvoor sparen mensen?
Wat wil jij later kopen?
Kun je ook sparen voor iets dat kapotgaat?
Overgang: Voordat jullie zelf een doel kiezen, gaan we eerst horen waar andere studenten voor sparen.
Spaar jij?
Slide 15 - Diapositive
Filmpje
Laat het filmpje zien. Dit filmpje is speciaal voor LEF gemaakt door Emma Mouthaan (Finfluencer). Ze vraagt aan studenten of zij sparen.
Reflectie direct na het filmpje:
Wat hoorde je?
Waar spaart iemand in het filmpje voor?
Spaart iedereen?
Wat herken jij?
Overgang: Nu kies jij zelf één ding waarvoor je wilt sparen.
Waar wil jij voor sparen? Voeg een foto en/of tekst toe
Slide 16 - Question ouverte
Waar wil jij voor sparen?
Vraag de duo's te overleggen en een foto en/of tekst toe te voegen waarvoor zij willen sparen.
Om verdere interactie te krijgen kun je het volgende van een paar studenten op een bord zetten:
Ik wil dit bereikt hebben in maand: _______________________
Waarom wil je dit graag? _________________________________
Vragen:
Waarom kies je dit?
Wat kost het?
Hoe lang wil je sparen?
Wat kan jou helpen?
Overgang: Je hebt nu een doel. Maar heb je elke maand geld over om te sparen?
Geld in-geld uit
Dit heet een maandbegroting
Slide 17 - Diapositive
Geld in-geld uit
Leg hier eerst uit wat een maandbegroting is. Een maandbegroting is een geldplan voor één maand. Je schrijft op hoeveel geld binnenkomt en hoeveel geld eruit gaat.”
Vraag:
Waarom is het handig om dit te weten?
Overgang: We oefenen eerst met Zoë.
Opdracht maandbegroting
Zoë is 19 jaar. Ze woont thuis. Ze werkt in een kledingwinkel.
Aan het einde van de maand is haar geld vaak op.
Bijbaan
Zorgtoeslag
Zorgverzekering
Lesgeld en boeken
Abonnementen
Telefoon
Kleding
Uitgaan
Eten en drinken
€ 650
€ 130
€ 160
€ 240
€ 10
€ 25
€ 150
€ 100
€ 130
Slide 18 - Diapositive
Opdracht maandbegroting
Laat de studenten de bedragen invullen op het werkblad maandbegroting
Vragen:
Hoeveel komt erin en hoeveel gaat eruit? (€ 780, € 815)
Hoeveel komt Zoë te kort? (€ 35)
Wat zijn vaste lasten? Welke komen iedere maand terug?
Waar kan ze minder geld aan uitgeven?
Kan Zoë sparen als ze minder geld uitgeeft?
Waar kan Zoë zelf iets veranderen?
En dan reflectievraag:
Wat zou jij tegen Zoë zeggen?
Overgang: Nu heb je geoefend met Zoë. Nu maak je een maandbegroting voor jezelf. Die van Zoë hebben we alvast voor je ingevuld als voorbeeld.
Eigen maandbegroting maken
Slide 19 - Diapositive
Opdracht maandbegroting maken
Laat de studenten nu hun eigen maandbegroting maken. Laat ze hun bankieren app gebruiken.
Loop door de klas zodat je vragen kunt beantwoorden.
Vragen na de opdracht
Komt er meer geld in of gaat er meer geld uit?
Welke kosten komen elke maand?
Waar kun jij zelf kiezen?
Heb je geld over?
Eventueel:
Wat wil je volgende maand anders doen?
Overgang: Heb je geld over? Dan kijken we of je jouw spaardoel kunt halen.
KUN JE JE SPAARDOEL HALEN?
Nee
Ja
Slide 20 - Diapositive
Kun je je spaardoel halen?
De studenten hebben nu uitgerekend wat ze zelf per maand overhouden en kunnen dus uitrekenen of ze hun spaardoel kunnen halen.
Stel de vraag: Ga je het halen? Je kunt ze laten staan en zitten maar je kunt hier ook handen laten opsteken.
Vragen:
Waarom wel of nog niet?
Wat kun je veranderen?
Kun je langer sparen?
Kun je elke maand iets meer sparen?
Kun je een goedkoper doel kiezen?
Overgang: Je kunt niet alles tegelijk doen met je geld. Soms moet je kiezen.
Kiezen
Slide 21 - Diapositive
Kiezen
Overgang: We gaan nu kiezen. Ik geef jullie steeds twee keuzes. Jij kiest wat bij jou past.
Wat kies jij?
1.Niet gaan en sparen
2.Kopen via Vinted
3.Eten meenemen
4.Op vakantie met vrienden
5.€ 50 sparen voor rijbewijs
1.Bioscoop met vrienden
2.Nieuwe kleding
3.Eten kopen op school
4.Nieuwe telefoon
5.€ 50 uit eten
Slide 22 - Diapositive
Wat kies jij?
Geef aan dat je een aantal stellingen gaat voorleggen waarin ze moeten kiezen.
Links in de klas ga je staan als je iets direct wilt kopen, rechts als je wilt sparen.
Vraag steeds: Waarom koos jij dat?(Gebruik korte, eenvoudige woorden en geef waardering voor elk antwoord).
Vragen:
Waarom kies jij dit?
Wat kost jouw keuze?
Als je dit kiest, wat kun je dan niet met dat geld doen?
Past deze keuze bij jouw spaardoel?
Overgang: Soms kun je zelf kiezen. Maar soms heb je een probleem met geld. Dan is het goed om hulp te vragen.
Hulp?
Wie kan jou helpen met geld?
Slide 23 - Diapositive
Hulp?
Belangrijkste boodschap: Onderneem actie!
Vragen:
Wanneer heb je hulp nodig?
Is hulp vragen makkelijk of moeilijk?
Wat kan er gebeuren als je lang wacht?
Overgang: Als je hulp nodig hebt: wie zou jij als eerste vragen?
Bij wie vraag jij hulp met geld?
Slide 24 - Question ouverte
Bij wie vraag jij hulp met geld?
Stel de vraag.
Bespreek kort de antwoorden (houd de antwoorden anoniem door maar één keer op het antwoord te klikken).
Vraag na de eerste reacties expliciet door naar de drempel waarom mensen niet om hulp vragen.
Sluit eventueel af met een korte, persoonlijke uitspraak (bijvoorbeeld een moment waarop hulp vragen voor jou normaal was). Dit verlaagt de drempel voor studenten om dit later ook te doen.
Vragen:
Waarom vragen mensen soms geen hulp?
Wie vertrouw jij?
Wie zou jij eerst vragen?
Wat maakt hulp vragen makkelijker
Overgang:Familie, vrienden en school kunnen helpen. Er zijn ook plekken waar je gratis hulp krijgt.
Dit zijn een paar voorbeelden waar studenten hulp kunnen zoeken of informatie kunnen vinden. Door op het bolletje te klikken zie je de link naar website. Indien gewenst kun je op de link klikken om op de gewenste website te komen.
School: vraag mentor/studentbegeleider wat de school aanbiedt.
Geldfit: hulp en doorverwijzing bij geldvragen.
Nibud: betrouwbare informatie en hulpmiddelen.
Gemeente: hulp bij geldproblemen en schulden.
Humanitas: op veel plekken hulp met administratie en overzicht.
Vragen:
Welke plek kende je al?
Waar zou jij als eerste naartoe gaan?
Welke plek helpt met informatie?
Welke plek kan met je meekijken?
Overgang: Je weet nu waar je hulp kunt krijgen. Wat neem jij mee uit deze les?
Noem 1 ding dat je vandaag hebt geleerd en dat je ook wilt gaan gebruiken.
Slide 26 - Question ouverte
Noem 1 ding dat je vandaag hebt geleerd en dat je ook wilt gaan gebruiken.
Voorbeelden:
Mijn geld in en uit opschrijven.
Controleren of ik zorgtoeslag kan krijgen.
€ 5 per week sparen.
Iemand om hulp vragen.
Doorvragen:
Wanneer ga je dit doen?
Wie kan je helpen?
nl.surveymonkey.com
Slide 27 - Lien
LET OP:
Hier vragen we de studenten om de impact eindmeting in te vullen. Dit is voor LEF zeer belangrijk in verband met verantwoording richting onze sponsoren.
Zet het vinkje onderaan bij 'Toon bij leerling' aan zodat de studenten de link kunnen openen.
Nodig iedereen uit om de impact eindmeting in te vullen.
De impactmeting bestaat uit 4 vragen en 3 stellingen. Het invullen duurt een paar minuten.