De ................................. groeit door de ..................................
in de richting van het ......................
Dan gaat hij naar het poortje van het ....................
Daar barst de stuifmeelbuis open.
De ................................. van de stuifmeelkorrel smelt samen met de kern van de ...........................
Nu is de de eicel ........................
eicel
stuifmeel
korrel
vrucht
beginsel
kern
bevrucht
stijl
zaad
beginsel
stuifmeelbuis / pollenbuis
Slide 43 - Question de remorquage
De stuifmeelbuis (pollenbuis) groeit van ..... naar (juiste volgorde)
A
stempel, stijl, zaadbeginsel
B
stijl, stempel, zaadbeginsel
C
vruchtbeginsel, stempel, stijl
D
zaadbeginsel, stempel, stijl
Slide 44 - Quiz
Uit de bevruchte eicel ontstaat een ....................
Uit het zaadbeginsel ontstaat een ....................
Uit het vruchtbeginsel ontstaat een ....................
vrucht
kiem
zaad
Slide 45 - Question de remorquage
Wat ontstaat er uit een bevruchte eicel
A
een kiem
B
een zaad
C
een eicel
D
een stuifmeelkorrel
Slide 46 - Quiz
Wat ontstaat er uit een zaadbeginsel na bevruchting?
A
een kiem
B
een zaad
C
een stuifmeelkorrel
D
een eicel
Slide 47 - Quiz
Hoeveel zaadbeginsels zie je?
A
1
B
2
C
3
D
4
Slide 48 - Quiz
B4
Slide 49 - Diapositive
In de vrucht zitten ....................
Die zijn ontstaan uit de zaadbeginsels
waarvan de ................... bevrucht is.
...................... waarvan de eicel
niet bevrucht is, ....................
zaadbeginsels
verschrompelen
zaden
eicel
7 zaden
vrucht
Slide 50 - Question de remorquage
Het ontstaan van vruchten en zaden
Uit een vruchtbeginsel ontstaat .................................bijvoorbeeld ..........................
Het vruchtbeginsel wordt steeds ..................................
Zaadbeginsels met .................................. eicellen worden .......................... en ontwikkelen
zich tot ............................. Vruchten kunnen ............................ of ........................... zaden hebben
groter
meer
een
zaden
groter
een vrucht
bevruchtte
Slide 51 - Question de remorquage
Uit het vruchtbeginsel van de appelbloem ontstaat
het .......................... Hierin zitten de ..........................
Dit zijn de zaden, ontstaan uit de ......................
Verschrompelde kelkbladeren vormen het ...................
Het steeltje van de appel is ontstaan uit de .........................
en meeldraden
appelpitten
klokhuis
zaadbeginsels
bloemsteel
kroontje
eicel
vruchten
Slide 52 - Question de remorquage
In een vrucht zitten 6 zaden. Hoeveel stuifmeelbuizen zijn hiervoor gegroeid? Hoeveel eicellen waren hiervoor nodig?
A
aantal stuifmeelbuizen 1
aantal eicellen 1
B
aantal stuifmeelbuizen 1
aantal eicellen 6
C
aantal stuifmeelbuizen 6
aantal eicellen 1
D
aantal stuifmeelbuizen 6
aantal eicellen 6
Slide 53 - Quiz
Welke vrucht heeft maar één zaad?
A
meloen
B
mango
C
sinaasappel
D
mandarijn
Slide 54 - Quiz
1. en doperwt is een voorbeeld van een zaad
2. Een sperzieboon is een voorbeeld van een vrucht
A
1= waar
2= waar
B
1= waar
2= niet waar
C
1= niet waar
2= waar
D
1= niet waar
2= niet waar
Slide 55 - Quiz
Van bloem tot vrucht
1. Een vruchtbeginsel groeit uit tot een vrucht 2. Een zaadbeginsel groeit uit tot een zaad
A
1 = waar
2 = waar
B
1 = waar
2 = niet waar
C
1 = niet waar
2 = waar
D
1 = niet waar
2 = niet waar
Slide 56 - Quiz
In het vruchtbeginsel zitten acht zaadbeginsels. Elk zaadbeginsel bevat
A
1 eicel
B
1 stuifmeelkorrel
C
8 eicellen
D
8 stuifmeelkorrels
Slide 57 - Quiz
Bij een bepaalde bloem bevat het vruchtbeginsel zes zaadbeginsels. In vier zaadbeginsels wordt de eicel bevrucht, in twee zaadbeginsels niet.
Hoeveel zaden ontwikkelen zich in dit vruchtbeginsel?
A
1
B
4
C
6
D
10
Slide 58 - Quiz
Hoeveel vruchtbeginsels en zaadbeginsels zie je in deze tekening?
A
een vruchtbeginsel en twee zaadbeginsels
B
twee vruchtbeginsels en zes zaadbeginsels
C
een vruchtbeginsel en zes zaadbeginsels
D
zes vruchtbeginsels en een zaadbeginsel
Slide 59 - Quiz
Wat gebeurt er met de zaadbeginsels die niet zijn bevrucht?
A
ontwikkelen zich tot zaden
B
verschrompelen
C
die worden groter
D
die krijgen bloemen
Slide 60 - Quiz
In de vrucht zitten ....................
Die zijn ontstaan uit de zaadbeginsels
waarvan de ................... bevrucht is.
...................... waarvan de eicel
niet bevrucht is, ....................
zaadbeginsels
verschrompelen
zaden
eicel
7 zaden
vrucht
Slide 61 - Question de remorquage
Kelkbladeren
Zaad
Bloemsteel
Slide 62 - Question de remorquage
Je ziet hier acht vruchten. Sleep een 1 naar de vruchten die zijn ontstaan uit een vruchtbeginsel met één zaadbeginsel en een plusje naar de vruchten die zijn ontstaan uit een vruchtbeginsel met meer dan één zaadbeginsel.
BvJ 6.4 opd 2
T4
1
1
1
1
+
+
+
+
Slide 63 - Question de remorquage
Uit welk deel van een bloem is een sperzieboon ontstaan?
R7
Het vruchtbeginsel
Het zaadbeginsel
de bevruchte <div>eicel</div>
De stuifmeelkorrel
Slide 64 - Question de remorquage
Het zaadbeginsel groeit na de bevruchting uit tot ...
De bevruchte eicel groeit uit tot ...
Het vruchtbeginsel groeit na de bevruchting uit tot ...
Zaad
Kiem
Vrucht
Slide 65 - Question de remorquage
B5
Slide 66 - Diapositive
Hoe heet de mannelijke geslachtscel van een plant?
A
Eicel
B
Stuifmeelkorrel
C
Cel
D
Zaadcel
Slide 67 - Quiz
Voor geslachtelijke voorplanting is alleen een eicel nodig
A
Waar
B
Niet waar
Slide 68 - Quiz
Bij bevruchting smelt de zaadcel samen met de eicel
A
Waar
B
Niet waar
Slide 69 - Quiz
Bij geslachtelijke voorplanting hebben de nakomelingen NIET precies dezelfde eigenschappen als de ouders
A
Waar
B
Niet waar
Slide 70 - Quiz
I: Uitwendige bevruchting vindt plaats bij vissen of kikkers II: Een eicel heeft de helft van het aantal chromosomen t.o.v. de moederplant
A
Beide waar
B
Beide nietwaar
C
I : Waar
II: Nietwaar
D
I: Nietwaar
II: Waar
Slide 71 - Quiz
Chromosomen bevatten de informatie voor de erfelijke eigenschappen
A
Waar
B
Niet waar
Slide 72 - Quiz
Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?