Sparen en beleggen (Bedrijfseconomie vwo), les 1: Uitleg

Het gebouw van Euronext Amsterdam aan het Beursplein, 2023 (foto: APK, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Sparen en beleggen

Examenstof bedrijfseconomie vwo

1 / 22
suivant
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 22 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Uitleg over sparen en beleggen voor het vwo-examen bedrijfseconomie: vrij en niet-vrij opneembare spaarvormen, vermogenstitels (aandelen, obligaties en beleggingsfondsen), risico en rendement en beleggersrendement, met 6 checks.

Éléments de cette leçon

Het gebouw van Euronext Amsterdam aan het Beursplein, 2023 (foto: APK, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Sparen en beleggen

Examenstof bedrijfseconomie vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: B1 11.2.10-11.2.12. Image credit: APK / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Wat ga je kunnen?

Ik kan spaarvormen en vermogenstitels vergelijken op risico en rendement en een advies onderbouwen.

Cet élément n'a pas d'instructions

Je krijgt € 10.000 en hebt het 15 jaar niet nodig. Welke woorden komen bij je op?

Syllabus 11.2.10-11.2.12: verwachte woorden zijn spaarrekening, deposito, aandelen, obligaties, risico, rendement, beurs, spreiden, vastzetten, fonds, verlies. Sorteer ze met de klas in sparen en beleggen en koppel ze aan de blokken: vrij en niet-vrij opneembaar sparen (blok 1), vermogenstitels (blok 2), risico en rendement afwegen (blok 3). Het rekenen met interest en eind- en contante waarde staat in een eigen les.

Spaarpotten in de vorm van kippen (foto: Undeka 11, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Sparen: vrij of vast

  • Bij sparen zet je geld opzij op een rekening bij de bank en krijg je interest.

  • Vrij opneembaar spaargeld kun je altijd opnemen, zoals bij een gewone spaarrekening.

  • Niet-vrij opneembaar spaargeld staat vast voor een afgesproken looptijd, zoals bij een deposito.

  • Een deposito eerder opnemen kan vaak niet, of alleen tegen een boete.

Syllabus 11.2.10: de voor- en nadelen van vrij opneembare en niet-vrij opneembare spaarvormen uitleggen; begrip sparen (begrippen 11.2). Bij een deposito spreek je vooraf de looptijd en de interest af. Veelgemaakte fout: denken dat vastgezet geld nooit meer vrijkomt. Het staat vast tot de afgesproken einddatum. Image credit: Undeka 11 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Voordelen en nadelen

  • Vrij opneembaar, voordeel: je kunt altijd bij je geld, handig als buffer voor onverwachte uitgaven.

  • Vrij opneembaar, nadeel: vaak lagere interest, die de bank kan verlagen, en je geeft het geld makkelijker uit.

  • Niet-vrij opneembaar, voordeel: vaak een hogere interest, die vaststaat voor de hele looptijd.

  • Niet-vrij opneembaar, nadeel: je kunt niet bij je geld, en stijgt de spaarrente, dan houd je de oude interest.

  • De bank geeft meer interest op vastgezet geld, omdat ze er langer over kan beschikken.

Syllabus 11.2.10: voor- en nadelen van vrij opneembare en niet-vrij opneembare spaarvormen uitleggen. De kern is de afweging tussen flexibiliteit en interest. Veelgemaakte fout: alleen naar de hoogte van de interest kijken en vergeten wanneer je het geld nodig hebt.

Euromunten en eurobiljetten

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Welke spaarvorm past?

  • Kijk eerst wanneer je het geld nodig hebt en of dat moment vaststaat.

  • Een buffer voor tegenvallers zet je op een vrij opneembare rekening.

  • Geld dat je de hele looptijd zeker niet nodig hebt, kan op een deposito.

  • Veel spaarders combineren: een buffer vrij opneembaar, de rest vast.

Syllabus 11.2.10: de voor- en nadelen toepassen op een situatie. Een goed antwoord koppelt de keuze aan de termijn en aan de kans op een onverwachte uitgave. Veelgemaakte fout: al het spaargeld vastzetten voor de hogere interest en dan geen buffer meer hebben. Image credit: Avij / Wikimedia Commons, publiek domein

Waarom kan een stijgende spaarrente nadelig zijn bij een deposito?

A

Je interest staat vast, dus je profiteert niet mee

B

Je deposito daalt dan in koers, net als een aandeel

C

De bank mag je interest dan verlagen

D

Je moet dan een boete betalen aan de bank

Syllabus 11.2.10: nadeel van een niet-vrij opneembare spaarvorm. De interest op een deposito staat vast voor de looptijd; stijgt de spaarrente, dan houd je de oude, lagere interest. Verwachte fout: denken dat spaargeld een koers heeft, zoals een belegging.

Vul in

Bij een deposito staat je geld vast voor een afgesproken looptijd; wie eerder opneemt, betaalt vaak een boete aan de bank.

deposito
looptijd
boete
spaarrekening
koersverlies

Syllabus 11.2.10: kenmerken van een niet-vrij opneembare spaarvorm.

Aandeel van de VOC, kamer Hoorn, 1606

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Vermogenstitels en de beurs

  • Bij beleggen koop je vermogenstitels, met meer kans op rendement en meer risico dan bij sparen.

  • Vermogenstitels zijn aandelen, obligaties en beleggingsfondsen: de titels waarin je kunt beleggen.

  • Op de effectenbeurs worden vermogenstitels gekocht en verkocht.

  • Door vraag en aanbod verandert de koers van een titel voortdurend.

Syllabus 11.2.11: de vermogenstitels waarin belegd kan worden noemen; begrippen beleggen, vermogenstitels en effectenbeurs (begrippen 11.2). Spaargeld is geen vermogenstitel: het heeft geen koers. Koersverloop en koersbepalende factoren horen bij een ander onderwerp. Image credit: Onbekende maker / Wikimedia Commons, publiek domein

Obligatie van een Russische spoorwegmaatschappij, 1909

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Aandelen en obligaties

  • Een aandeel is een bewijs van eigendom: je bent mede-eigenaar en krijgt een deel van het resultaat als dividend.

  • Een obligatie is een lening: je krijgt interest en na de looptijd je geld terug.

  • Aandeel: geen vaste vergoeding, dus onzekerder, met kans op koerswinst.

  • Obligatie: afgesproken vergoeding, dus zekerder, met minder kans op koerswinst.

Syllabus 11.2.12: verschillen in risico en rendement tussen aandelen en obligaties. De aandeelhouder is eigenaar, de obligatiehouder is schuldeiser. Veelgemaakte fout: denken dat een obligatie helemaal zonder risico is; de uitgever kan de lening mogelijk niet terugbetalen en de koers kan schommelen. Image credit: Onbekende maker / Wikimedia Commons, publiek domein

Een beursscherm met koersen van aandelen, Frankfurt (foto: Ank Kumar, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Beleggingsfondsen

  • Een beleggingsfonds bundelt het geld van veel beleggers en belegt het in veel titels.

  • Je spreidt zo je risico over veel aandelen of obligaties zonder zelf te kiezen.

  • Het fonds heeft beheerkosten, die gaan van je rendement af.

  • Het risico hangt af van de inhoud: een aandelenfonds is risicovoller dan een obligatiefonds.

Syllabus 11.2.12: beleggingsfondsen in relatie tot risico en rendement. Spreiding verkleint het risico, maar neemt het niet weg: als de hele markt daalt, daalt het fonds mee. Veelgemaakte fout: een beleggingsfonds zien als een spaarvorm zonder risico. Image credit: Ank Kumar / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Wat ontvangt een aandeelhouder van het bedrijf als beloning?

A

Een vaste interest, ongeacht het resultaat

B

Een niet vaststaand dividend, afhankelijk van het resultaat

C

Alleen het geld terug na de looptijd

D

Een vast percentage van het resultaat van de beurs

Syllabus 11.2.12. Dividend is onzeker; vaste interest hoort bij obligaties. Verwachte fout: dividend en interest door elkaar halen.

Vul in

Met een beleggingsfonds kun je het risico spreiden, omdat het geld in veel vermogenstitels wordt belegd.

beleggingsfonds
spreiden
vermogenstitels
verkleinen tot nul
effectenbeurzen

Syllabus 11.2.11 en 11.2.12.

De beurs van Tokio met lopende koersen (foto: ehnmark, CC BY 2.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Risico en rendement

  • Rendement is de opbrengst van een belegging ten opzichte van wat je erin stopt.

  • Risico is de kans dat het werkelijke rendement lager uitvalt dan verwacht.

  • Meer verwacht rendement gaat meestal samen met meer risico.

  • Aandelen: meestal hoogste risico en rendement. Obligaties: lager. Spaargeld: laagste.

Syllabus 11.2.12: de verschillen in risico en rendement tussen aandelen, obligaties en beleggingsfondsen uitleggen. Het verband tussen risico en verwacht rendement is een tendens, geen garantie. Veelgemaakte fout: denken dat meer risico altijd meer opbrengst oplevert. Image credit: ehnmark / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Beleggersrendement berekenen

  • Beleggersrendement = (opbrengst + koersresultaat) : gemiddeld belegd vermogen x 100%.

  • Opbrengst is bijvoorbeeld dividend of interest, koersresultaat is koerswinst of koersverlies.

  • Voorbeeld: € 8.000 belegd, € 240 dividend en € 400 koerswinst: (240 + 400) : 8.000 x 100% is 8%.

  • Een koersverlies trek je af, het rendement kan dus negatief zijn.

Syllabus 11.2.12 en begrippen 32 (beleggersrendement), met de formule uit Bijlage 4; de formules uit Bijlage 4 staan niet in de examenopgave. Rekenvoorbeeld: 240 + 400 = 640; 640 : 8.000 = 0,08, dus 8%. Veelgemaakte fout: alleen het dividend meetellen en het koersresultaat vergeten.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Een advies onderbouwen

  • Kijk bij een advies naar het doel, de termijn en hoeveel verlies de klant kan dragen.

  • Heeft de klant het geld snel nodig? Kies vrij opneembaar sparen met weinig risico.

  • Is de termijn lang en kan de klant schommelingen aan? Dan kan beleggen, gespreid via een fonds.

  • Onderbouw met risico en rendement: noem beide en leg uit waarom het past.

Syllabus 11.2.10 en 11.2.12: spaarvormen en beleggingen vergelijken en een keuze uitleggen met risico en rendement. Een goed advies noemt zowel risico als rendement en koppelt het aan de situatie van de klant. Veelgemaakte fout: het hoogste rendement adviseren zonder naar termijn of risicobereidheid te kijken.

Ilse belegt gemiddeld € 5.000: € 100 dividend, € 150 koerswinst. Rendement?

A

2%

B

3%

C

15%

D

5%

Syllabus 11.2.12. Uitwerking: (100 + 150) : 5.000 x 100% = 5%. 2% is alleen het dividend, 3% alleen de koerswinst, 15% is een verkeerde deling.

Waarom hoort meer risico bij meer rendement?

Syllabus 11.2.12. Een goed antwoord noemt dat beleggers alleen extra risico nemen als ze er een hogere verwachte beloning voor krijgen. Verwachte fout: zeggen dat meer risico altijd meer rendement oplevert.

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Vrij en niet-vrij opneembaar

2

Aandelen, obligaties en fondsen

3

Beleggersrendement berekenen

4

Risico en rendement afwegen

Gebruik de uitslag om te bepalen welk blok je herhaalt.

Wat past bij een voorzichtige belegger?

Syllabus 11.2.12. Een goed antwoord noemt bijvoorbeeld obligaties of een gespreid beleggingsfonds, met een reden over risico en rendement. Verwachte fout: één aandeel kiezen vanwege het hoge rendement.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Begrippen (1/2)

  • sparen: Geld opzij zetten tegen interest

  • vrij opneembaar: Spaargeld waar je altijd bij kunt

  • niet-vrij opneembaar: Spaargeld dat vaststaat voor een afgesproken looptijd

  • beleggen: Geld steken in vermogenstitels voor rendement

  • vermogenstitels: Aandelen, obligaties en beleggingsfondsen

Cet élément n'a pas d'instructions

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · SPAREN

Begrippen (2/2)

  • aandelen: Bewijzen van eigendom van een onderneming

  • obligaties: Leningen aan een bedrijf of overheid met afgesproken interest

  • beleggingsfondsen: Fondsen die het geld van veel beleggers bundelen

  • effectenbeurs: Markt waar vermogenstitels worden verhandeld

  • beleggersrendement: (Opbrengst + koersresultaat) : gemiddeld belegd vermogen x 100%

Cet élément n'a pas d'instructions