Sporen van β-deeltjes in een nevelkamer (foto: Nuledo, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF · B2 · IONISERENDE STRALING
Examentraining
Ioniserende straling: zo pak je examenvragen aan
Sporen van β-deeltjes in een nevelkamer (foto: Nuledo, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF · B2 · IONISERENDE STRALING
Examentraining
Ioniserende straling: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Nuledo / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · B2 · IONISERENDE STRALING
Wat ga je kunnen?
Ik kan fotonenergie berekenen, kernreacties opstellen, risico's van stralingssoorten beredeneren en met dosis rekenen.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF · B2 · IONISERENDE STRALING
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: schrijf gegeven en gevraagd op, met eenheden (eV, mSv, g).
2. Kies: pak de formule uit je informatieboek, of tel A en Z bij een kernreactie.
3. Reken: zet eerst om naar J, m, kg en Gy; let op het aantal significante cijfers.
4. Controleer: klopt de eenheid, de orde van grootte en de telling van A en Z?
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF · B2 · IONISERENDE STRALING
Vraagtype 1: fotonenergie
E = h·f en c = f·λ; samen E = h·c/λ. Constanten staan in je informatieboek.
Zet keV om naar J met 1 eV = 1,602·10⁻¹⁹ J.
Een foton met meer energie heeft een hogere f en een kleinere λ.
Cet élément n'a pas d'instructions
Een γ-foton heeft 1,40·10² keV. Bereken zijn golflengte.
8,86·10⁻⁹ m
8,86·10⁻¹² m
8,86·10⁻¹⁵ m
1,42·10⁻²⁷ m
E = 1,40·10⁵ · 1,602·10⁻¹⁹ = 2,243·10⁻¹⁴ J. λ = h·c/E = 6,626·10⁻³⁴ · 2,998·10⁸ / 2,243·10⁻¹⁴ = 8,86·10⁻¹² m (nagerekend: 1,9865·10⁻²⁵ / 2,243·10⁻¹⁴ = 8,857·10⁻¹²). Fouten: keV als eV (10⁻⁹), keV als MeV (10⁻¹⁵) of eV niet omgerekend naar J (10⁻²⁷). Syllabus B2.1.
Een röntgenfoton heeft 75 keV. Bereken f.
E = 75·10³ · 1,602·10⁻¹⁹ = 1,20·10⁻¹⁴ J. f = E/h = 1,20·10⁻¹⁴ / 6,626·10⁻³⁴ = 1,8·10¹⁹ Hz (2 significante cijfers). Twee keer nagerekend. Verwachte fout: keV niet naar J omrekenen of de factor 10³ vergeten. Syllabus B2.1.
EXAMENSTOF · B2 · IONISERENDE STRALING
Vraagtype 2: kernreactie
Som van A en som van Z links en rechts gelijk.
α: A - 4 en Z - 2. β⁻: Z + 1. β⁺: Z - 1. γ: niets.
Het element bij het nieuwe Z zoek je op in je informatieboek.
Cet élément n'a pas d'instructions
Po-210 (Z = 84) zendt een α-deeltje uit. Welke kern ontstaat?
Pb-206 (Z = 82)
Pb-210 (Z = 82)
Bi-210 (Z = 83)
Hg-206 (Z = 80)
α-deeltje: A - 4 = 206 en Z - 2 = 82, dat is lood. Controle: 210 = 206 + 4 en 84 = 82 + 2. Fouten: A niet laten dalen (Pb-210), β⁺ gebruiken (Bi-210) of Z met 4 laten dalen (Hg-206). Syllabus B2.2.
F-18 (Z = 9) vervalt via β⁺. Welke kern ontstaat?
Ne-18 (Z = 10)
N-14 (Z = 7)
O-18 (Z = 8)
F-17 (Z = 9)
β⁺: A blijft 18, Z gaat van 9 naar 8: zuurstof (O-18). Fouten: β⁻ (Ne-18), α (N-14) of dat A daalt zonder Z te veranderen. Syllabus B2.2.
Loden schort en handschoenen, 1920-1958 (foto: Wellcome Collection, CC BY 4.0)
EXAMENSTOF · B2 · IONISERENDE STRALING
Vraagtype 3: soort straling en risico
Koppel de soort straling aan ioniserend en doordringend vermogen.
α en β stop je met weinig materiaal, γ vraagt dikke afscherming (lood).
Let op: zit de bron buiten of in je lichaam (bestraling of besmetting)?
Image credit: Wellcome Collection / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
Een rookmelder bevat Am-241, een α-bron. Waarom is hij ongevaarlijk zolang hij heel is?
α-straling is niet ioniserend
α-straling komt niet door de behuizing heen
α-deeltjes hebben een grote dracht
De bron zendt alleen zwakke γ-straling uit
α heeft een kleine dracht en wordt door de behuizing en enkele centimeters lucht tegengehouden. Het ioniserend vermogen is juist groot. Verwachte fout: denken dat α niet ioniseert. Syllabus B2.2.
Waarom is ingeslikte α extra gevaarlijk?
Van buiten stopt α al in de buitenste huidlaag. Ingeslikt zit de bron tegen levend weefsel (besmetting): alle energie gaat op korte afstand in de cellen, wat door het sterke ioniserend vermogen veel schade geeft. Verwachte fout: alleen zeggen dat het gevaarlijker is zonder dracht of ioniserend vermogen te noemen. Syllabus B2.2.
EXAMENSTOF · B2 · IONISERENDE STRALING
Vraagtype 4: dosis en equivalente dosis
D = E/m in Gy en H = wR·D in Sv.
Reken g naar kg en mJ naar J voordat je invult.
Meer soorten straling: tel de bijdragen H = wR·D bij elkaar op.
Cet élément n'a pas d'instructions
Een schildklier van 20 g absorbeert 3,0 mJ β-straling (wR = 1). Bereken H.
1,5·10² Sv
1,5·10⁻⁴ Sv
3,0 Sv
0,15 Sv
m = 0,020 kg en E = 3,0·10⁻³ J: D = 3,0·10⁻³ / 0,020 = 0,15 Gy. H = 1 · 0,15 = 0,15 Sv. Fouten: mJ niet omgerekend (150), g niet omgerekend (1,5·10⁻⁴) of wR = 20 gebruiken (3,0). Syllabus B2.2.
Een werker krijgt 0,40 mGy γ en 0,030 mGy α (wR = 20). Bereken H.
0,43 mSv
0,60 mSv
8,6 mSv
1,0 mSv
H = 1 · 0,40 + 20 · 0,030 = 0,40 + 0,60 = 1,0 mSv (twee keer nagerekend; bij optellen telt het aantal decimalen). Fouten: wR vergeten (0,43), alleen α meetellen (0,60) of wR op de som toepassen (8,6). Syllabus B2.2.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Fotonenergie
Kernreactie
Soort straling en risico
Dosis en equivalente dosis
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF · B2 · IONISERENDE STRALING
Tips voor op het examen
Staat een formule niet in je hoofd? Zoek hem op in je informatieboek en schrijf eerst op welke grootheid wat is.
Bij een kernreactie: controleer altijd of de som van A en de som van Z links en rechts gelijk is.
Een dosis in mGy of mSv reken je eerst om naar Gy of Sv, en gram naar kilogram.
Cet élément n'a pas d'instructions