PET-preforms, de voorvormen van drankflessen (foto: CC0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · POLYMEREN · MATERIALEN
Examentraining
Polymeren en materialen: zo pak je examenvragen aan
PET-preforms, de voorvormen van drankflessen (foto: CC0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · POLYMEREN · MATERIALEN
Examentraining
Polymeren en materialen: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: 01x07x2022000 / Wikimedia Commons, CC0
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · POLYMEREN · MATERIALEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan monomeren afleiden, het mechanisme en de ketenlengte van een additiepolymerisatie beschrijven en eigenschappen van polymeren en materialen uit hun structuur verklaren.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · POLYMEREN · MATERIALEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: een polymeer, een monomeer, een mechanisme of een eigenschap?
2. Bepaal: additie (alleen C–C in de keten) of condensatie (ester of amide in de keten).
3. Redeneer: noem eerst de structuur (micro en meso), dan de eigenschap (macro).
4. Controleer: kloppen de atomen, is H₂O meegeteld, kloppen eenheden en significante cijfers?
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · POLYMEREN · MATERIALEN
Vraagtype 1: monomeren afleiden
Additie: knip om de twee C-atomen en zet de C=C terug; zijgroepen blijven hangen.
Condensatie: knip bij de ester- of amide-binding; voeg OH aan C en H aan O of N toe.
Cet élément n'a pas d'instructions
–NH–(CH₂)₄–NH–C(=O)–(CH₂)₈–C(=O)– is een polyamide. Uit welke monomeren ontstaat het?
H₂N–(CH₂)₈–NH₂ en HOOC–(CH₂)₄–COOH
H₂N–(CH₂)₄–NH₂ en HOOC–(CH₂)₆–COOH
HO–(CH₂)₄–OH en HOOC–(CH₂)₈–COOH
H₂N–(CH₂)₄–NH₂ en HOOC–(CH₂)₈–COOH
Syllabus R2.3. Knip bij beide C–N bindingen: NH–(CH₂)₄–NH wordt H₂N–(CH₂)₄–NH₂ en C(=O)–(CH₂)₈–C(=O) wordt HOOC–(CH₂)₈–COOH (10 C-atomen in het dizuur). Verwachte fouten: de aantallen CH₂ verwisselen, de C(=O)-koolstofatomen vergeten mee te tellen of een diol kiezen.
Monomeren van –CH₂–CH(CH₃)–CH₂–CH(C₆H₅)–?
Syllabus R2.1 en R2.3. Een copolymeer: knip na elke twee C-atomen. Antwoord: CH₂=CH–CH₃ (propeen) en CH₂=CH–C₆H₅ (ethenylbenzeen of styreen). Verwachte fout: de CH₃ of de fenylgroep als apart monomeer zien.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · POLYMEREN · MATERIALEN
Vraagtype 2: mechanisme en ketenlengte
Initiatie: radicalen uit een initiator. Propagatie: radicaal + monomeer wordt een langer radicaal. Terminatie: twee radicalen koppelen.
Polymerisatiegraad = M(polymeer) : M(eenheid). Meer initiator geeft meer ketens, dus kortere ketens.
Cet élément n'a pas d'instructions
Twee keer zoveel initiator, verder gelijk. Wat verandert er in de polymerisatie?
De gemiddelde ketenlengte wordt groter
Er ontstaan crosslinks tussen de ketens
De monomeren vormen een condensatiepolymeer
De gemiddelde ketenlengte wordt kleiner
Syllabus R2.3. Meer initiator geeft meer radicalen en dus meer groeiende ketens uit dezelfde hoeveelheid monomeer: elke keten wordt korter. Verwachte fout: denken dat meer initiator langere ketens geeft omdat de reactie sneller gaat.
Polypropeen heeft een gemiddelde M van 8,4·10⁴ u. Hoeveel eenheden per keten?
3,0·10³
2,0·10³
1,0·10³
3,5·10⁶
Syllabus R2.3. M(C₃H₆) = 3 × 12,01 + 6 × 1,008 = 42,08 u. Polymerisatiegraad = 8,4·10⁴ : 42,08 = 1,996·10³, afgerond op twee significante cijfers 2,0·10³. Verwachte fouten: M van etheen (28,05) gebruiken geeft 3,0·10³; delen door 2 × 42,08 geeft 1,0·10³; vermenigvuldigen geeft 3,5·10⁶.
Oude draaischijftelefoon met een harde kunststof kast (foto: James Cridland, CC BY 2.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · POLYMEREN · MATERIALEN
Vraagtype 3: eigenschap uit structuur
Noem eerst de structuur (crosslinks, ketenlengte, groepen, weekmaker), dan de eigenschap.
Uv: meervoudige bindingen en crosslinks. Water: polaire groepen. Afbreekbaar: ester of amide.
Image credit: James Cridland / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
Een kabel met veel C=C in de polymeerketen wordt in de zon stug. Waarom?
Uv-licht splitst estergroepen door hydrolyse
Uv-licht breekt de vanderwaalsbindingen
Uv-licht vormt radicalen die ketens koppelen
Uv-licht koppelt extra monomeer aan de ketens
Syllabus M4.1 en M5.1. De C=C bindingen nemen uv-licht op, er ontstaan radicalen en die vormen crosslinks tussen de ketens: stug en bros. Verwachte fout: hydrolyse kiezen; daarvoor is water nodig en de kabel bevat geen estergroepen.
Verklaar: polymeer met COO⁻ bindt veel water.
Syllabus M5.1. Antwoord: de COO⁻-groepen zijn geladen en polair en binden watermoleculen (ion-dipool en waterstofbruggen); weinig crosslinks laten het netwerk zwellen. Verwachte fout: alleen zeggen dat het polymeer water opneemt, zonder de groepen en de bindingen te noemen.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · POLYMEREN · MATERIALEN
Vraagtype 4: legering, keramiek, composiet
Metaal: lagen schuiven; een vreemd atoom of een lage temperatuur maakt schuiven moeilijker.
Composiet: vezels dragen de kracht, matrix houdt ze vast; een polymeermatrix is brandbaar.
Cet élément n'a pas d'instructions
Waarom is SiC veel harder dan ijzer?
Syllabus M4.2 en M5.1: kristalstructuur van keramische materialen (atoomrooster), metaalroosters. Antwoord: SiC heeft een atoomrooster waarin elk atoom met sterke, gerichte atoombindingen aan zijn buren vastzit; vervormen betekent atoombindingen verbreken. In ijzer schuiven lagen langs elkaar terwijl de metaalbinding blijft bestaan. Verwachte fout: SiC een ionrooster of een moleculaire stof noemen.
Glasvezelversterkt polyester wordt in een vlam gehouden. Wat brandt er?
De matrix: het polymeer reageert met O₂
De glasvezels: hun atoomrooster reageert met O₂
Beide even goed, want ze zijn even brandbaar
Geen van beide, want composieten branden niet
Syllabus M4.2 (brandbaarheid). De matrix is een polyester met C- en H-atomen die met zuurstof reageren; glas (SiO₂) is al een oxide. Verwachte fout: denken dat de vezel brandt omdat die het sterkst is.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Monomeren afleiden
Mechanisme en ketenlengte
Eigenschap uit polymeerstructuur
Legering, keramiek of composiet
Bespreek het gekozen vraagtype met een voorbeeld op het bord.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · POLYMEREN · MATERIALEN
Tips voor op het examen
Bij monomeren afleiden: tel de C-atomen in de hoofdketen en knip om de twee C-atomen of bij de ester of amide.
Bij condensatie: tel het water mee en controleer de atomen links en rechts.
Bij een berekening: gebruik de molaire massa van de eenheid en let op de significante cijfers.
Bij verklaren: noem de eigenschap, de structuur en het niveau (micro, meso, macro).
Cet élément n'a pas d'instructions