Organen en gaswisseling (Biologie havo), les 2: Examentraining

STOFWISSELING · GASWISSELING

Examentraining

Organen en gaswisseling: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
suivant
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

Cette leçon contient 17 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen: rekenen met longvolumes, bouw en functie verklaren, diffusie met drukgegevens en samenhang en verstoring tussen organen.

Éléments de cette leçon

STOFWISSELING · GASWISSELING

Examentraining

Organen en gaswisseling: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Wagner Souza e Silva / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

STOFWISSELING · GASWISSELING

Wat ga je kunnen?

Ik kan met gegevens over volumes, drukken en bouw een vraag over ademhaling beantwoorden en mijn antwoord onderbouwen.

Cet élément n'a pas d'instructions

STOFWISSELING · GASWISSELING

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat wordt er gevraagd en welke gegevens (volume, druk, bouw) staan in de opgave?

  • 2. Zoek: het juiste begrip, bijvoorbeeld vitale capaciteit, restvolume of zuurstofdruk.

  • 3. Verbind: bouw met functie, of een drukverschil met de richting van diffusie.

  • 4. Schrijf: een kort antwoord met eenheid, of met 'omdat' bij een verklaring.

Cet élément n'a pas d'instructions

Spirogram met longcapaciteit, vitale capaciteit en restvolume (eigen voorbeeld)

STOFWISSELING · GASWISSELING

Vraagtype 1: rekenen met longvolumes

  • Lees volumes af op de verticale as en let op de eenheid: liter (L) of milliliter (mL).

  • Vitale capaciteit = longcapaciteit min restvolume.

  • Van de ingeademde lucht bereikt alleen het deel buiten de dode ruimte de longblaasjes.

  • Schrijf het antwoord met eenheid op.

Image credit: Eigen afbeelding

Long 6,0 L, restvolume 1,2 L: vitale capaciteit?

Antwoord: 4,8 L (6,0 L min 1,2 L). Verwachte fout: 6,0 L noemen, de longcapaciteit, of de eenheid vergeten.

Je ademt 500 mL lucht in en de dode ruimte is 150 mL. Hoeveel mL bereikt de longblaasjes?

A

350 mL

B

650 mL

C

150 mL

D

500 mL

Het deel in de dode ruimte doet niet mee aan gaswisseling: 500 min 150 is 350 mL. Verwachte fout: optellen, of de dode ruimte als antwoord geven.

STOFWISSELING · GASWISSELING

Vraagtype 2: bouw en functie verklaren

  • Noem eerst het kenmerk van de bouw, bijvoorbeeld groot oppervlak of dunne wand.

  • Koppel er daarna de functie aan: wat gaat daardoor beter?

  • Gebruik 'omdat' of 'daardoor' en noem het begrip uit de les.

  • Voorbeeld: veel haarvaten bij een longblaasje houden het drukverschil in stand.

Cet élément n'a pas d'instructions

Waarom is een heel dunne wand van een longblaasje handig?

A

Er past meer bloed in de wand

B

Slijm kan er sneller doorheen

C

Gassen leggen een korte afstand af bij diffusie

D

De lucht blijft er langer in

Een dunne wand betekent een korte diffusieafstand. Verwachte fout: denken dat de wand ruimte maakt voor meer bloed.

Waarom heeft een long zoveel longblaasjes?

Samen hebben ze een groot oppervlak, zodat er veel gaswisseling per seconde kan plaatsvinden. Verwachte fout: alleen zeggen dat er meer lucht in past.

STOFWISSELING · GASWISSELING

Vraagtype 3: diffusie met drukgegevens

  • Gas diffundeert van de plek met de hoogste druk naar de plek met de laagste druk.

  • Opgave: zuurstofdruk in de lucht van de longblaasjes 13 kPa, in bloed dat de long in stroomt 5 kPa.

  • Opgave: koolstofdioxidedruk in de lucht van de longblaasjes 5 kPa, in bloed dat de long in stroomt 6 kPa.

  • Vergelijk steeds de twee drukken en bepaal de richting.

Cet élément n'a pas d'instructions

Koolstofdioxide: bloed 6 kPa, longblaasje 5 kPa. Welke kant op diffundeert het?

A

Van de longblaasjes naar het bloed

B

Er is geen diffusie, want het verschil is te klein

C

Van het bloed naar de longblaasjes

D

Van de bronchiën naar de haarvaten

De druk is in het bloed (6 kPa) hoger dan in de longblaasjes (5 kPa), dus diffusie naar de longblaasjes. Verwachte fout: de richting omdraaien omdat het verschil klein is.

Op grote hoogte is de zuurstofdruk van de lucht lager. Wat is het gevolg voor de opname?

A

Het drukverschil wordt kleiner, dus minder zuurstof het bloed in

B

Het drukverschil wordt groter, dus meer zuurstof het bloed in

C

De zuurstof diffundeert het bloed uit

D

De opname verandert niet, want hemoglobine pompt

Een lagere zuurstofdruk in de longblaasjes geeft een kleiner drukverschil met het bloed en dus minder diffusie. Verwachte fout: denken dat ademen de druk in het bloed niet beïnvloedt.

STOFWISSELING · GASWISSELING

Vraagtype 4: samenhang en verstoring

  • Een verstoring in één orgaan heeft gevolgen voor andere organen.

  • Redeneer in een keten: wat doet het orgaan, wat gaat er mis, wat merkt het volgende orgaan?

  • Bij ademen: ademhalingsspieren, longvolume, druk, lucht in de longen, zuurstof in het bloed.

  • Schrijf elke stap op en gebruik het woord 'daardoor'.

Cet élément n'a pas d'instructions

Iemand heeft te weinig hemoglobine in het bloed. Wat is het gevolg?

A

Er diffundeert meer zuurstof de cellen in

B

De vitale capaciteit wordt kleiner

C

De dode ruimte wordt groter

D

Het bloed vervoert minder zuurstof naar de weefsels

Hemoglobine bindt zuurstof, dus minder hemoglobine betekent minder zuurstoftransport. Verwachte fout: de longvolumes laten veranderen, die hangen af van de longen en niet van het bloed.

Zwak middenrif: waarom is inademen moeilijk?

Het middenrif spant minder goed aan, de borstholte wordt minder groot, de druk daalt minder en er stroomt minder lucht naar binnen. Verwachte fout: alleen zeggen dat de longen niet werken.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Rekenen met longvolumes

2

Bouw en functie verklaren

3

Diffusie met drukgegevens

4

Samenhang en verstoring

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.

STOFWISSELING · GASWISSELING

Tips voor op het examen

  • Schrijf bij een berekening altijd de eenheid op: L of mL.

  • Gas diffundeert van hoge naar lage druk: vergelijk steeds twee drukken.

  • Gaswisseling vindt alleen plaats in de longblaasjes, niet in luchtpijp of bronchiën.

  • Bij 'verklaar' noem je een kenmerk van de bouw en de functie die daardoor beter werkt.

Cet élément n'a pas d'instructions