Energiestroom en kringlopen (Biologie vwo), les 3: Terugblik quiz

ECOSYSTEEM · KRINGLOPEN

Quiz

Terugblik: Energiestroom en kringlopen

1 / 15
suivant
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 15 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblik met 12 vragen over trofische niveaus, productie, verstoring, koolstofbalans, methaan, uitspoeling, eutrofiering, broeikaseffect en de rol van reducenten.

Éléments de cette leçon

ECOSYSTEEM · KRINGLOPEN

Quiz

Terugblik: Energiestroom en kringlopen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Arnoldius / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Een vos eet konijnen die gras eten. Op welk trofisch niveau staat de vos?

A

Het eerste trofische niveau

B

Het derde trofische niveau

C

Het tweede trofische niveau

D

Het vierde trofische niveau

Gras is niveau 1 (producent), het konijn niveau 2 (planteneter) en de vos niveau 3. Verwachte fout: het tweede niveau kiezen omdat de vos een dier is.

Vul in

Bacteriën bij een diepzeebron zijn chemo-autotroof, een plant is foto-autotroof en een konijn is heterotroof.

chemo-autotroof
foto-autotroof
heterotroof
anorganisch
fossiel

Chemo-autotroof: chemische energie als bron. Foto-autotroof: licht. Heterotroof: afhankelijk van organische stof. Verwachte fout: de eerste twee omwisselen.

Waarom raken jonge mezen in problemen als rupsen eerder uitkomen?

A

Hun voedsel is er niet meer als ze het nodig hebben

B

Rupsen worden dan giftig voor jonge vogels

C

Er is dan te veel voedsel en dat blijft onbenut

D

Bladeren leveren dan minder energie aan de rupsen

Door klimaatverandering vallen het voedselaanbod en de behoefte van de consument niet meer samen; de energiestroom naar de mezen wordt kleiner. Verwachte fout: denken dat meer rupsen altijd gunstig is.

Wat gebeurt er met de BPP en NPP van een gebied na ontbossing?

A

Alleen de NPP daalt, de BPP blijft gelijk

B

Beide blijven gelijk, want het licht blijft gelijk

C

Beide dalen, want er zijn minder producenten

D

De BPP daalt, maar de NPP blijft ongeveer gelijk

Minder producenten leggen minder energie vast: de BPP daalt, en daarmee ook de NPP. Verwachte fout: denken dat het zonlicht de productie bepaalt en niet het aantal producenten.

Wat is een voorbeeld van energietransitie?

A

Een land gaat veel meer aardolie en aardgas winnen

B

Een land stapt over van steenkool op wind en zon

C

Een centrale gaat meer steenkool verbranden

D

Een energiebedrijf wisselt van leverancier

Energietransitie is de overgang van fossiele brandstof naar duurzame bronnen. Verwachte fout: elke verandering in energiebeleid een transitie noemen.

Een veen neemt 5 ton C per jaar op en geeft 8 ton C af. Wat is de verandering?

A

De voorraad neemt met 3 ton C toe

B

De voorraad neemt met 13 ton C toe

C

De voorraad neemt met 13 ton C af

D

De voorraad neemt met 3 ton C af

Verandering van de voorraad = aanvoer min afvoer = 5 - 8 = -3 ton C per jaar, dus een afname. Verwachte fout: optellen (13) of het teken omdraaien.

Nitraat spoelt met regen weg. Welk proces?

Antwoord: uitspoeling. Verwachte fout: denitrificatie noemen, dat zet nitraat om in stikstofgas.

Waar ontstaat methaan door afbraak zonder zuurstof?

A

In de bladeren bij fotosynthese

B

In droge zandgrond met veel zuurstof

C

Bij de nitrificatie in de bodem

D

In een moeras of de pens van een koe

Methaan ontstaat bij anaerobe afbraak, bijvoorbeeld in moerassen en in de pens van herkauwers. Verwachte fout: denken dat methaan bij fotosynthese hoort omdat het koolstof bevat.

Wat gebeurt er met een koraalrif als het zeewater te warm wordt?

A

Koralen groeien sneller en het rif wordt soortenrijker

B

Koralen bleken en soorten verliezen hun leefgebied

C

Het rif verandert niet door de temperatuur

D

Alleen de planktonalgen in het open water sterven

Te warm water veroorzaakt koraalbleking; als koralen afsterven verliezen veel soorten hun leefgebied en daalt de biodiversiteit. Verwachte fout: opwarming alleen als voordeel voor groei zien.

Welke maatregel verkleint eutrofiering van een sloot?

A

Meer kunstmest op de oevers gebruiken

B

Bemesten vlak voor een regenbui

C

Minder meststoffen op de akkers rond de sloot

D

Dode waterplanten in de sloot laten liggen

Minder meststoffen betekent minder uitspoeling van nitraat en fosfaat naar de sloot. Verwachte fout: denken dat meer planten of algen in de sloot de voedingsstoffen oplossen.

Zet op volgorde: eutrofiering van een sloot

1

Reducenten gebruiken veel zuurstof

2

Vissen sterven door zuurstoftekort

3

Algen groeien explosief

4

Waterplanten sterven door gebrek aan licht

5

Veel nitraat en fosfaat komt in de sloot

Volgorde: meer voedingsstoffen, algenbloei, minder licht onder water, afsterven van waterplanten, afbraak door reducenten met zuurstofgebruik, sterfte van vissen. Verwachte fout: reducenten te vroeg zetten; ze breken pas af als er dode resten zijn.

Waarom zijn reducenten onmisbaar in een kringloop?

A

Ze maken dode organische stof om in anorganische stof

B

Ze leggen CO2 vast met behulp van lichtenergie

C

Ze zorgen dat organische stof ophoopt in de bodem

D

Ze produceren de energie die producenten gebruiken

Reducenten breken dode organische stof af tot anorganische stoffen zoals CO2 en ammonium, die producenten weer opnemen. Verwachte fout: reducenten als consumenten van levende organismen zien.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

ECOSYSTEEM · KRINGLOPEN

Goed gedaan!

Je kunt nu beschrijven hoe energie door een ecosysteem stroomt, hoe koolstof en stikstof rondgaan en hoe de mens dat beïnvloedt. Kijk de vragen na die je fout had en zoek het onderdeel op in les 1.

Cet élément n'a pas d'instructions