Werkvormen: Voorspellen

Werkvormen

Voorspellen

Wat denk jij dat er gebeurt?

En waarom?

Nederlands

Geschiedenis

Natuur & techniek

Wiskunde

Aardrijkskunde


1 / 12
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsGeschiedenis+3BasisschoolMiddelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoGroep 5-8Leerjaar 1-6

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min
Report this lesson

Introduction

Voorspellen Hoe maak je leerlingen nieuwsgierig naar wat komen gaat? Wat is het? Voordat je iets uitlegt, laat zien of voorleest, schrijven leerlingen op wat zij denken dat er gaat gebeuren, en waarom. Dat kan gaan over de afloop van een verhaal, de uitkomst van een proef, wat mensen na een gebeurtenis deden of hoe groot een getal wordt. Na je uitleg leggen ze hun voorspelling naast wat ze nu weten: wat klopte er, wat kwam anders uit, en hoe stellen ze hun idee bij? Wie vooraf een verwachting uitspreekt, wil weten of die klopt. Zo maak je van luisteren een zoektocht naar het antwoord. Wanneer zet je het in? Aan het begin van een les of een nieuw hoofdstuk of thema, om nieuwsgierig te maken en voorkennis naar boven te halen. Je peilt dan meteen wat de klas al verwacht. De vergelijking doe je aan het eind van de les of het hoofdstuk: in hoeverre kwamen de voorspellingen overeen met wat leerlingen hebben geleerd? Het werkt het best bij een vraag waar jouw les echt het antwoord op geeft, en waar leerlingen net genoeg van weten om een vermoeden te hebben, maar nog niet genoeg om het zeker te weten. Een vraag die iedereen al kan beantwoorden, of waar niemand iets bij kan bedenken, maakt niemand benieuwd. Voorspellen werkt in elk vak, al vanaf de middenbouw van de basisschool. Hoe zet je het in? 1. De prikkel. Toon een titel, afbeelding, eerste zin of vraag die past bij de kern van het nieuwe onderwerp. Lees bijvoorbeeld de eerste pagina van een boek voor, beschrijf een proef of zet een getal op het bord. 2. De voorspelling. Laat leerlingen in een woordweb, open vraag of poll opschrijven wat zij verwachten te gaan leren of zien. Vraag er altijd bij waarom ze dat denken. Verklap het antwoord nog niet: de kracht zit erin dat iedereen eerst zelf een idee vastlegt. 3. De vergelijking. Kom aan het eind terug op de voorspellingen. Wat klopte er, wat verraste en waarom? Juist een verkeerde voorspelling bespreken helpt. Vraag niet alleen wie het goed had, maar vooral hoe leerlingen op hun idee kwamen. Wat levert het op? Leerlingen brengen hun voorkennis naar boven, denken na over hun eigen verwachtingen en letten gerichter op. Ze onthouden vooral beter waar hun voorspelling over ging, dus laat ze voorspellen over de kern van je les. Jij weet vooraf wat de klas verwacht, ook welke misvattingen er leven, en kunt die in je uitleg gericht bevestigen of ontkrachten. Waar is het op gebaseerd? Vooraf raden of voorspellen helpt leerlingen de stof te onthouden waar de vraag over ging, maar nauwelijks voor andere stof (St. Hilaire, Chan & Ahn, 2024). Voorspellen werkt al bij jonge basisschoolkinderen (Brod, 2021). Wie expliciet voorspelt, onthoudt vooral uitkomsten die anders zijn dan verwacht (Brod e.a., 2022). En kinderen van 6 tot 9 jaar stelden een misvatting vaker bij als ze eerst een voorspelling hadden gedaan (Theobald & Brod, 2021). Daarom is de vergelijking achteraf net zo belangrijk als de voorspelling zelf. Hoe maak je het? Deze les laat de werkvorm vijf keer zien, telkens in twee slides: een voorspelslide met een woordweb of open vraag, en een slide voor na je uitleg met drie vakken: Dit klopte, Dit kwam anders uit en Zo stel ik mijn idee bij. De voorbeelden zijn De vos en de raaf (Nederlands, groep 5-6), de watersnood van 1953 (geschiedenis, klas 1-2), een hamer en een veer op de maan (natuur en techniek, groep 7-8), papier vouwen tot de maan (wiskunde, klas 2-3) en een glas met smeltend ijs (aardrijkskunde, groep 7-8). In de notities staan het antwoord, de voorspellingen die je kunt verwachten en een verdieping. Maak het paar dat bij jouw les past favoriet of kopieer het, en pas de prikkel aan. Zelf maken? Gebruik een woordweb als je de ideeën van de hele klas in één beeld wilt zien, een open vraag als je wilt dat leerlingen hun waarom uitschrijven, en een poll of quiz als er een paar duidelijke uitkomsten zijn die je later wilt vergelijken.

Instructions

Wanneer zet je het in?
Deze werkvorm is ideaal:
  • Als lesintroductie: om de nieuwsgierigheid te wekken en voorkennis te activeren.
  • Bij het starten van een nieuw hoofdstuk of thema: om verwachtingen te peilen en een kader te creëren voor de nieuwe stof.
  • Als reflectie: aan het einde van een les of hoofdstuk, om te beoordelen in hoeverre de voorspellingen overeenkwamen met de geleerde inhoud.
De werkvorm Voorspellen is nuttig omdat het leerlingen actief bij het leerproces betrekt. Ze brengen hun voorkennis naar boven, reflecteren op hun eigen verwachtingen en denken kritisch na. Bovendien biedt het de docent inzicht in hun ideeën, wat helpt om de les gerichter af te stemmen.

Hoe maak je deze werkvorm in LessonUp?
  • Woordweb: Gebruik de interactieve woordweb-tool in LessonUp om leerlingen hun voorspellingen visueel te laten maken. Dit kan klassikaal of individueel.
  • Open Vraag: Stel een open vraag met een tekstvak waarin leerlingen hun verwachtingen kunnen typen. Dit bevordert reflectie en persoonlijke betrokkenheid.
  • Quiz of Poll: Maak een korte quiz of poll om de verwachtingen van leerlingen te peilen en deze later te vergelijken met de werkelijke inhoud.
Sla deze les op via de bewaar knop om hem eenvoudig aan te passen voor je eigen les.

Items in this lesson

Werkvormen

Voorspellen

Wat denk jij dat er gebeurt?

En waarom?

Nederlands

Geschiedenis

Natuur & techniek

Wiskunde

Aardrijkskunde


Deze les laat de werkvorm Voorspellen vijf keer zien, telkens in twee slides die je los aan je eigen les kunt toevoegen. Op de eerste slide staat de prikkel en schrijven leerlingen hun voorspelling op, met het waarom erbij. De tweede slide laat je zien na je uitleg: leerlingen leggen hun voorspelling naast wat ze nu weten. Hoe je de werkvorm inzet, lees je in de lesbeschrijving.

De voorbeelden zijn voor Nederlands (groep 5-6), geschiedenis (klas 1-2), natuur en techniek (groep 7-8), wiskunde (klas 2-3) en aardrijkskunde (groep 7-8). In de notities bij elke eerste slide staat het juiste antwoord, zodat je weet waar je naartoe werkt. Verklap het niet: de kracht zit erin dat leerlingen eerst zelf een idee vastleggen.

Wil je zelf een voorspelvraag maken? Kies een vraag waar jouw les echt het antwoord op geeft, en waar leerlingen net genoeg van weten om een vermoeden te hebben, maar nog niet genoeg om het zeker te weten. Een vraag die iedereen al kan beantwoorden, of waar niemand iets bij kan bedenken, maakt niemand benieuwd.

Nederlands · groep 5-6

Een raaf zit hoog in een boom, met een groot stuk kaas in zijn snavel.

Onder de boom staat een hongerige vos. De vos kan niet bij de kaas, maar hij wil hem wel hebben.

Zet je voorspelling in het web. Schrijf erbij waarom je dat denkt.

Hoe loopt dit verhaal af?

Dit is het begin van de fabel De vos en de raaf, die al bij de Griekse verteller Aesopus voorkomt en later beroemd werd door de Franse dichter La Fontaine. Lees of vertel het begin, laat de slide zien en laat leerlingen in het woordweb zetten hoe het volgens hen afloopt en waarom. Een voorbeeld: de vos is slim, dus hij bedenkt een list.

Het antwoord, dat je nog niet verklapt: de vos zegt tegen de raaf hoe mooi hij is en vraagt of hij ook zo mooi kan zingen. De raaf voelt zich gevleid, doet zijn snavel open om te zingen, en de kaas valt naar beneden. De vos pakt de kaas en loopt weg. De les van de fabel: pas op voor mensen die je vleien, want vaak willen ze iets van je.

Lees daarna de hele fabel voor en ga naar de vergelijkslide. Kinderen voorspellen vaak dat de vos in de boom klimt, de raaf laat schrikken of iets ruilt. Dat zijn goede gedachten: vraag wat ze in het begin van het verhaal zagen dat ze op dat idee bracht.

Verdieping: fabels hebben bijna altijd dieren die zich als mensen gedragen en een les aan het eind. Laat leerlingen na afloop voorspellen wat de les van een andere fabel is, bijvoorbeeld De haas en de schildpad, voordat je het einde voorleest.

Dit klopte

Dit kwam anders uit

Zo stel ik mijn idee bij

Dit klopte

Dit kwam anders uit

Zo stel ik mijn idee bij

Nederlands · groep 5-6

Na de uitleg

De vos, de raaf en de kaas: je kent nu het hele verhaal. Leg het naast jouw voorspelling.

Laat deze slide zien als je de hele fabel hebt voorgelezen. Leerlingen zetten in elk vak een antwoord: wat klopte er van hun voorspelling, wat ging anders, en hoe denken ze er nu over.

Bij Zo stel ik mijn idee bij kunnen kinderen bijvoorbeeld schrijven: ik dacht dat de vos zou klimmen, maar hij gebruikte zijn mond in plaats van zijn poten. Of: ik dacht dat de raaf slim was, maar hij liet zich voor de gek houden.

Vraag in het gesprek vooral door op wat anders uitkwam. Waarom trapte de raaf erin? Wat zou jij gedaan hebben? Zo komt de les van de fabel vanzelf op tafel, zonder dat jij hem hoeft te vertellen.

Geschiedenis · klas 1-2

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 stormt het zwaar en staat het zeewater extreem hoog.

In Zeeland en Zuid-Holland breken tientallen dijken door. Ruim 1800 mensen verdrinken.

Zet je voorspelling in het web. Schrijf erbij waarom je dat denkt.

Wat doet Nederland na deze ramp?

Deze voorspelling past bij een les over de watersnood van 1953 en de Deltawerken. Laat leerlingen in het woordweb zetten wat Nederland volgens hen na de ramp ging doen, en waarom. Met wat ze weten over dijken en water kunnen ze een goed vermoeden hebben, maar de omvang van het plan en de wending bij de Oosterschelde kennen de meesten nog niet.

Het antwoord, dat je nog niet verklapt: ruim twee weken na de ramp, op 18 februari 1953, stelde de minister van Verkeer en Waterstaat de Deltacommissie in. Die maakte het Deltaplan: de zeearmen in Zeeland en Zuid-Holland afsluiten met dammen, zodat de kust veel korter werd en minder dijken hoog genoeg hoefden te zijn. In 1958 werd dat vastgelegd in de Deltawet. Daarna volgden tientallen jaren bouwen.

De wending: de Oosterschelde zou eerst helemaal dicht. Vissers en natuurbeschermers verzetten zich, omdat het zoute getijdenwater en de mosselen en oesters dan zouden verdwijnen. Daarom kwam er een stormvloedkering met beweegbare schuiven, die alleen bij storm dichtgaat. Koningin Beatrix opende hem in 1986. De Maeslantkering bij Rotterdam was in 1997 klaar.

Verdieping: vraag leerlingen of zij het afsluiten van de Oosterschelde de moeite waard hadden gevonden. Veiligheid tegen natuur en werk is een afweging die nu nog speelt, bijvoorbeeld bij de vraag hoe Nederland zich voorbereidt op een hogere zeespiegel.

Dit klopte

Dit kwam anders uit

Zo stel ik mijn idee bij

Dit klopte

Dit kwam anders uit

Zo stel ik mijn idee bij

Geschiedenis · klas 1-2

Na de uitleg

Na de watersnood van 1953: je weet nu wat Nederland deed. Leg het naast jouw voorspelling.

Laat deze slide zien na je uitleg over de Deltawerken. Leerlingen zetten in elk vak een antwoord.

Veel leerlingen voorspellen dat de dijken hoger werden. Dat klopt, maar het grote idee was een ander: de zeegaten dicht, zodat de kust korter werd. En wie voorspelde dat alles dicht zou gaan, ziet bij de Oosterschelde iets wat anders uitkwam. Vraag daar door: waarom koos de regering uiteindelijk voor een kering die meestal openstaat?

Bij Zo stel ik mijn idee bij kunnen leerlingen bijvoorbeeld schrijven: ik dacht dat het alleen om veiligheid ging, maar ook de natuur en de visserij telden mee. Juist die bijstelling laat zien dat ze snappen dat geschiedenis uit keuzes bestaat.

Mijn voorspelling

Natuur & techniek · groep 7-8

Het is 1971. Astronaut David Scott staat op de maan.

In zijn ene hand houdt hij een zware hamer, in de andere een veer. Op precies hetzelfde moment laat hij ze allebei los.

Wat komt het eerst op de grond? Waarom denk je dat?

Deze voorspelling past bij een les over zwaartekracht, luchtweerstand of de ruimte. Laat leerlingen opschrijven wat er volgens hen het eerst op de grond komt, en waarom. Op aarde valt een veer langzaam, dus de meeste kinderen kiezen de hamer. Sommigen weten dat er op de maan minder zwaartekracht is en denken dat alles dan zweeft. Allebei goede vermoedens om mee verder te gaan.

Het antwoord, dat je nog niet verklapt: de hamer en de veer komen precies tegelijk op de grond. Op de maan is geen lucht, dus er is geen luchtweerstand die de veer afremt. Zonder lucht vallen zware en lichte dingen even snel. Ze vallen wel langzamer dan op aarde, omdat de maan minder hard trekt.

Dit gebeurde echt, op 2 augustus 1971 tijdens de Apollo 15-missie. Scott gebruikte een geologenhamer en een valkenveer en liet ze van ongeveer anderhalve meter hoogte vallen. Laat na het opschrijven het filmpje van NASA zien: zoek op Apollo 15 hammer feather drop. Daarna ga je naar de vergelijkslide.

Verdieping: laat op aarde een vel papier en een boek tegelijk vallen. Leg het papier daarna plat op het boek en laat ze samen vallen. Nu valt het papier even snel, omdat het boek de lucht wegduwt. Laat leerlingen dat eerst voorspellen.

Dit klopte

Dit kwam anders uit

Zo stel ik mijn idee bij

Dit klopte

Dit kwam anders uit

Zo stel ik mijn idee bij

Natuur & techniek · groep 7-8

Na de uitleg

De hamer en de veer op de maan: je hebt gezien wat er gebeurde. Leg het naast jouw voorspelling.

Laat deze slide zien nadat de klas het filmpje heeft gezien en je hebt uitgelegd waarom het zo ging. Leerlingen zetten in elk vak een antwoord.

Wie de hamer koos, heeft iets kloppends gezien: op aarde valt een hamer echt sneller dan een veer. Wat anders uitkwam, is dat dat door de lucht komt en niet door het gewicht. Vraag door: wat is er op de maan anders dan hier?

Bij Zo stel ik mijn idee bij kunnen leerlingen bijvoorbeeld schrijven: ik dacht dat zware dingen sneller vallen, maar het komt door de lucht dat een veer op aarde langzaam gaat. Wie zo zijn idee bijstelt, onthoudt het verschil tussen zwaartekracht en luchtweerstand beter dan wie het alleen hoort.

Mijn voorspelling

Wiskunde · klas 2-3

Een vel papier is 0,1 mm dik. Stel dat je het zo vaak dubbel kunt vouwen als je wilt. Bij elke vouw wordt de stapel twee keer zo dik.

De maan staat ongeveer 384.000 km van de aarde.

Hoe vaak moet je vouwen om bij de maan te komen? Hoe kom je op dat getal?

Deze voorspelling past bij een les over machten of exponentiële groei. Laat leerlingen een getal opschrijven en uitleggen hoe ze erop komen, zonder rekenmachine. Ze weten wat dubbel is, maar de meesten hebben nog geen gevoel voor hoe snel verdubbelen gaat. Verwacht schattingen van duizenden tot miljoenen keren.

Het antwoord, dat je nog niet verklapt: 42 keer. Na 41 keer is de stapel 0,1 mm keer 2 tot de macht 41, ongeveer 220.000 km, en dat is nog niet genoeg. Na 42 keer is hij ongeveer 440.000 km, en dan ben je de maan al voorbij.

Handige tussenstappen voor je uitleg: na 10 keer is de stapel ongeveer 10 cm (2 tot de macht 10 is 1024), na 20 keer ongeveer 105 meter, na 30 keer ongeveer 107 km. Elke 10 vouwen maken de stapel dus ruim duizend keer zo dik. Laat leerlingen die stappen zelf uitrekenen en daarna naar de vergelijkslide gaan.

Verdieping: in het echt lukt het met een gewoon vel papier maar zo'n zeven keer. De Amerikaanse scholiere Britney Gallivan vouwde in 2002 een heel lange strook papier twaalf keer dubbel en rekende uit hoeveel papier daarvoor nodig is. Een mooi vervolg: waarom wordt elke volgende vouw zoveel zwaarder?

Dit klopte

Dit kwam anders uit

Zo stel ik mijn idee bij

Dit klopte

Dit kwam anders uit

Zo stel ik mijn idee bij

Wiskunde · klas 2-3

Na de uitleg

Papier vouwen tot de maan: je hebt het nagerekend. Leg de uitkomst naast jouw voorspelling.

Laat deze slide zien als de klas heeft uitgerekend hoe vaak je moet vouwen. Leerlingen zetten in elk vak een antwoord.

Bijna iedereen zit er ver naast, en dat is precies de bedoeling: het verschil tussen het gevoel en de berekening maakt zichtbaar hoe exponentiële groei werkt. Vraag niet alleen wie er het dichtst bij zat, maar vooral hoe leerlingen tot hun schatting kwamen. Wie optelde in plaats van verdubbelde, kwam veel te hoog uit.

Bij Zo stel ik mijn idee bij kunnen leerlingen bijvoorbeeld schrijven: ik dacht dat er elke keer een beetje bij kwam, maar het wordt steeds twee keer zoveel. Vraag daarna of ze dat ook bij andere verdubbelingen zien, zoals een bericht dat steeds door twee mensen wordt doorgestuurd.

Mijn voorspelling

Aardrijkskunde · groep 7-8

Je vult een glas tot de rand met water en ijsblokjes. Een deel van het ijs steekt boven het water uit.

Je laat het glas staan tot al het ijs gesmolten is.

Loopt het glas over, blijft het water even hoog of zakt het? Waarom?

Deze voorspelling past bij een les over klimaat en de stijgende zeespiegel. Zet het glas aan het begin van de les neer, zodat het ijs kan smelten terwijl je verdergaat. Laat leerlingen opschrijven wat er volgens hen gebeurt en waarom. Ze weten dat ijs smelt en dat water dan vloeibaar wordt, maar wat het ijs in het water doet, weten de meesten nog niet.

Het antwoord, dat je nog niet verklapt: het water blijft even hoog. Drijvend ijs duwt precies zoveel water opzij als het zelf weegt. Als het smelt, wordt het precies die hoeveelheid water en vult het het gat dat het al innam. Het stukje boven het water maakt het verschil niet.

De koppeling met aardrijkskunde: daarom stijgt de zeespiegel nauwelijks als ijs smelt dat al in de zee drijft, zoals het zee-ijs rond de Noordpool. IJs dat op het land ligt, zoals op Groenland en Antarctica, laat de zeespiegel wel stijgen als het smelt, omdat dat water er nieuw bij komt.

Tip: zet het glas op een schoteltje en droog het van buiten af. Een koud glas wordt aan de buitenkant nat van de lucht, en dat lijkt al snel op overlopen. Verdieping: zet een tweede bak klaar met een steen erin en leg daar ijs op. Laat leerlingen voorspellen wat daar met het water gebeurt.

Dit klopte

Dit kwam anders uit

Zo stel ik mijn idee bij

Dit klopte

Dit kwam anders uit

Zo stel ik mijn idee bij

Aardrijkskunde · groep 7-8

Na de uitleg

Het glas met ijsblokjes: al het ijs is gesmolten. Kijk goed en leg het naast jouw voorspelling.

Laat deze slide zien als het ijs gesmolten is en je hebt uitgelegd waarom het water even hoog bleef. Leerlingen zetten in elk vak een antwoord.

Veel kinderen voorspellen dat het glas overloopt, omdat het ijs boven het water uitsteekt. Dat is een logische gedachte, en daarom extra mooi om bij stil te staan. Vraag door: waar ging het stukje ijs boven het water naartoe?

Bij Zo stel ik mijn idee bij kunnen leerlingen bijvoorbeeld schrijven: ik dacht dat al het smeltende ijs de zee laat stijgen, maar alleen het ijs op het land doet dat. Met dat idee kun je verder in je les over Groenland, Antarctica en de dijken in Nederland.

Werkvormen

Klopte het?

Alle werkvormen van LessonUp vind je op het kanaal WoW.


Meer inspiratie vind je op ons Inspiratiekanaal.


This item has no instructions