Sterke werkwoorden

Nederlands
Sterke werkwoorden
1 / 43
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Nederlands
Sterke werkwoorden

Slide 1 - Slide

persoonsvorm verleden tijd
- zwakke werkwoorden
-sterke werkwoorden

Slide 2 - Slide

Zwakke werkwoorden

In het enkelvoud: stam + te / stam + de


In het meervoud: stam + ten / stam + den


('t  ex-kofschip)

Slide 3 - Slide

Sterke werkwoorden
De klank verandert de verleden tijd:
slapen - sliepen
vinden - vonden
krijgen - kregen

Slide 4 - Slide

bedenken
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 5 - Quiz

zoeken
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 6 - Quiz

worden
A
Zwak werkwoord
B
Sterk werkwoord

Slide 7 - Quiz

denken
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 8 - Quiz

solliciteren
A
Zwak werkwoord
B
Sterk werkwoord

Slide 9 - Quiz

schenken
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 10 - Quiz

fietsen
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 11 - Quiz

boeken
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 12 - Quiz

leren
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 13 - Quiz

lopen
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 14 - Quiz

sporten
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 15 - Quiz

persoonsvorm verleden tijd
- zwakke werkwoorden
-sterke werkwoorden

Slide 16 - Slide

Zwakke werkwoorden

In het enkelvoud: stam + te / stam + de


In het meervoud: stam + ten / stam + den


('t  ex-kofschip)

Slide 17 - Slide

Sterke werkwoorden
De klank verandert de verleden tijd:
slapen - sliepen
vinden - vonden
krijgen - kregen

Slide 18 - Slide

LOPEN is een sterk werkwoord.
A
waar
B
niet waar

Slide 19 - Quiz

Als ik een sterk werkwoord in de verleden tijd wil zetten, zet ik de(n) of te(n) achter de stam.
A
waar
B
niet waar

Slide 20 - Quiz

't ex-kofschip gebruik je voor de spelling tegenwoordige tijd.
A
waar
B
niet waar

Slide 21 - Quiz

Als ik het werkwoord 'pluizen' in de verleden tijd zet, komt er de(n) achter de stam.
A
waar
B
niet waar

Slide 22 - Quiz

De verleden tijd van verhuizen is:
A
verhuisde
B
verhuisdde
C
verhuiste
D
verhuistte

Slide 23 - Quiz

De verleden tijd van durven is:
A
durfte
B
durftte
C
durfde
D
durfdde

Slide 24 - Quiz

De verleden tijd van hij vindt is:
A
Hij vond
B
Hij vondt
C
Hij vinde
D
Hij vindde

Slide 25 - Quiz

De verleden tijd van hij fietst is:
A
Hij fietste
B
Hij fietstte
C
Hij fietsde
D
Hij fietsdde

Slide 26 - Quiz

De verleden tijd van groet is groette
A
waar
B
niet waar

Slide 27 - Quiz

De verleden tijd van hij lacht is:
A
Hij lachde
B
Hij lachdde
C
Hij lachte
D
Hij lachtte

Slide 28 - Quiz

Branden: Hij brandt
A
goed geschreven
B
niet goed geschreven

Slide 29 - Quiz

Smeden:
A
Hij smed
B
Hij smedt
C
Hij smeed
D
Hij smeedt

Slide 30 - Quiz

winnen:
A
Hij wint
B
Hij wind
C
Hij windt

Slide 31 - Quiz

dralen
A
Hij dralt
B
Hij draldt
C
Hij draalt
D
Hij draaldt

Slide 32 - Quiz

Een persoonsvorm is altijd een werkwoord.
A
waar
B
niet waar

Slide 33 - Quiz

Een werkwoord is altijd een persoonsvorm.
A
waar
B
niet waar

Slide 34 - Quiz

Er zit altijd maar 1 persoonsvorm in een zin.
A
waar
B
niet waar

Slide 35 - Quiz

Als er meer persoonsvormen in een zin zitten, noem je die zin een samengestelde zin.
A
waar
B
niet waar

Slide 36 - Quiz

Er zit in iedere zin altijd maar 1 werkwoord.
A
waar
B
niet waar

Slide 37 - Quiz

De werkwoorden in een zin noem je het werkwoordelijk gezegde.
A
waar
B
niet waar

Slide 38 - Quiz

Een voltooid deelwoord is een werkwoord.
A
waar
B
niet waar

Slide 39 - Quiz

Als ik wil weten wat de laatste letter is van een voltooid deelwoord, maak ik het woord langer.
A
waar
B
niet waar

Slide 40 - Quiz

Ik mag de 'ik vorm' van het werkwoord gebruiken als jij achter de persoonsvorm staat.
A
waar
B
niet waar

Slide 41 - Quiz

Vindt je zus het leuk om te sporten?
Is het eerste woord goed geschreven?
A
ja
B
nee

Slide 42 - Quiz

Het................... niet vaak dat ik een antwoord niet weet.
A
gebeur
B
gebeurt
C
gebeurd
D
gebeurdt

Slide 43 - Quiz