4. De lens

4. De lens
1 / 36
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

4. De lens

Slide 1 - Slide

Bepaal hoe deze lichtstraal verder loopt door het glas.
n1sin(i)=n2sin(r)

Slide 2 - Slide

Antwoord beginopdracht:
i = ....
(afronden op 1 decimaal)

Slide 3 - Open question

3 soorten Lichtbundels

Slide 4 - Slide

Voorbeelden soorten lichtbundels

Slide 5 - Slide

Voorbeelden soorten lichtbundels

Slide 6 - Slide

Voorbeelden soorten lichtbundels

Slide 7 - Slide

Voorbeelden soorten lichtbundels

Slide 8 - Slide

Lens

Slide 9 - Slide

Bolle (+) lens

Slide 10 - Slide

Bolle (+) lens

Slide 11 - Slide

Brandpunt - F

Slide 12 - Slide

0

Slide 13 - Video

Holle (-) lens

Slide 14 - Slide

Holle (-) lens

Slide 15 - Slide

Meer info over lenzen (Wikipedia)

Slide 16 - Slide

0

Slide 17 - Video

Werking fototoestel
1
2
3

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Video

Digitaal fototoestel
1
2

Slide 20 - Slide

Beeld fototoestel

Slide 21 - Slide

Samenvattend - soorten bundels

Slide 22 - Slide

Samenvattend - Lenzen

Slide 23 - Slide

Samenvattend - Werking camera
In een camera zitten een lens (of meerdere lenzen). De lenzen breken het licht en zorgen ervoor dat de lichtbundel geconvergeerd wordt en ze op de chip komen
De sluiter is een 'deurtje' dat open en dicht gaat. Wanneer het deurtje open is valt het licht op de lichtgevoelige chip. Iedere keer dat het deurtje opent wordt er een foto gemaakt
Het diafragma is een opening die in grootte kan veranderen. Zo zal het diafragma veel licht doorlaten wanneer er een foto 's nachts wordt gemaakt. In een lichte ruimte zal het diafragma minder licht doorlaten

Slide 24 - Slide

Verwerkingsopgaven De lens

Rond je (eind)antwoord af op hele graden, tenzij anders vermeld. Rond brekingsindexen af op 2 decimalen.


Slide 25 - Slide

Verwerkingsvragen
Dit is Huiswerk
In SOM vind je wanneer je dit precies moet af hebben

Slide 26 - Slide

Divergent
Convergent
Evenwijdig

Slide 27 - Drag question

Holle lens
Bolle lens
Convergerend
Divergerend
+
-
In het midden dikker
In het midden dunner

Slide 28 - Drag question

Hiernaast 10 onbekende lenzen; 5 bol (+) en 5 hol (-) Sleep het juiste teken naar elke lens.
-
-
-
-
-
+
+
+
+
+

Slide 29 - Drag question

4.4 Zie de figuur hiernaast. Neem hem (schematisch) over.

a. Je kan op 2 manieren zien of het hier om een + of - lens gaat.
Leg uit.

b. Benoem de drie bundels die je in de tekening
kunt onderscheiden.

Slide 30 - Open question

4.5 Hoe noem je het verloop van deze lichtbundel?
A
convergent
B
divergent
C
evenwijdig
D
parallel

Slide 31 - Quiz

4.6 uitspraken:

1.) lens 1 heeft een divergerende werking

2.) lens 2 is een positieve lens
A
beide uitspraken zijn juist
B
beide uitspraken zijn onjuist
C
alleen uitspraak 1 is juist
D
alleen uitspraak 2 is juist

Slide 32 - Quiz

4.7 Wat is juist voor lens 1 (boven) en lens 2 (onder)?
A
lens 1 is boller dan lens 2
B
lens 1 is minder bol dan lens 2
C
lens 1 is even bol als lens 2
D
geen van bovenstaande uitspraken is juist

Slide 33 - Quiz

4.8 Wat is waar voor een positieve lens?
A
deze is hol
B
deze convergeert lichtstralen
C
deze is aan de randen breder dan in het midden
D
deze maakt altijd een reeel beeld

Slide 34 - Quiz

4.9 Een camera heeft onderdelen die ongeveer dezelfde functie vervullen als onderdelen in het oog.

Welk onderdeel van het oog fungeert net als het diafragma van een camera?
A
ooglid
B
lens
C
pupil
D
geen van deze antwoorden is juist

Slide 35 - Quiz

Antwoord 4.4

Slide 36 - Slide