H2 nevenschikkend en onderschikkend (les 3 di)

Welkom!
Leg alvast klaar:
  • je iPad (dicht)
  • je leerwerkboek/schrift
  • je leesboek
  • klascode pwxhp
De les start en je bent stil:
timer
1:00
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 25 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Welkom!
Leg alvast klaar:
  • je iPad (dicht)
  • je leerwerkboek/schrift
  • je leesboek
  • klascode pwxhp
De les start en je bent stil:
timer
1:00

Slide 1 - Slide

Planning
  • Stil lezen
  • Grammatica zinsdelen: herhaling
  • Werkmoment 10 minuten
  • Grammatica zinsdelen: nieuw
  • Werkmoment 10 minuten
  • Afsluiten van de les

Slide 2 - Slide

timer
7:00
HW controle:
2.7: 1b, 3, 4a, 4b, 4c

Slide 3 - Slide

2.7 grammatica zinsdelen
Je leert:
  • wat een nevenschikking is.
  • wat een onderschikking is.
  • het wwg te benoemen met een wederkerend werkwoord.

Slide 4 - Slide

nevenschikking

Slide 5 - Slide

nevenschikking
Een samengestelde zin kan bestaan uit twee (of meer) hoofdzinnen. Je plakt de zinnen aan elkaar met de voegwoorden want, maar, en, of, dus.

(dat zijn de meest voorkomende)



Slide 6 - Slide

voorbeeld van 2 hoofdzinnen
Isa heeft een nieuwe telefoon gekocht, maar hij doet het niet goed.

Hoofdzin: Isa heeft een nieuwe telefoon gekocht,
o: Isa
pv: heeft
Hoofdzin: hij doet het niet goed.
o: hij
pv: doet
Maar = nevenschikkend voegwoord

Slide 7 - Slide

onderschikking

Slide 8 - Slide

onderschikking
Een samengestelde zin kan ook bestaan uit een hoofdzin en een (of meerdere) bijzinnen.

Dan noemen we dat een onderschikking.
 Er zijn veel verschillende voegwoorden die je hier kunt gebruiken, bijvoorbeeld: omdat, toen, sinds, hoewel, voordat, terwijl, enzovoort.

Slide 9 - Slide

voorbeeld bijzin-hoofdzin (onderschikking)
Toen Isa haar nieuwe telefoon had aangezet, werkte het touchscreen niet goed.
Hoofdzin: werkte het touchscreen niet goed.
o: het touchscreen
pv: werkte
Bijzin: Isa haar nieuwe telefoon had aangezet,
o: Isa
pv: had
Toen = onderschikkend voegwoord

Slide 10 - Slide

Voegwoord
  • Het voegwoord benoem je niet.
  • Bij een nevenschikkende zin staat het voegwoord tussen de twee zinnen in.
  • Bij een onderschikkende zin kan het voegwoord tussen de twee zinnen in staan, maar ook aan het begin van de zin.
  • Het voegwoord geeft het verband aan tussen de twee zinnen. Bijvoorbeeld: reden, opsomming, tegenstelling.

Slide 11 - Slide

Wat is deze zin?
Omdat ik vorig jaar ben verhuisd, ben ik van school gewisseld.
Nevenschikkend? Steek je hand op
Onderschikkend? Steek geen hand op

Slide 12 - Slide

Wat is deze zin?
Omdat ik vorig jaar ben verhuisd, ben ik van school gewisseld.
Nevenschikkend? Steek je hand op
Onderschikkend? Steek geen hand op

Slide 13 - Slide

Wat is deze zin?
Ze kende alleen maar een hut en die was zoals 
die van alle dorpelingen.

Nevenschikkend? Steek je hand op
Onderschikkend? Steek geen hand op

Slide 14 - Slide

Wat is deze zin?
Ze kende alleen maar een hut en die was zoals die van alle dorpelingen.

Nevenschikkend? Steek je hand op
Onderschikkend? Steek geen hand op

Slide 15 - Slide

Wat is deze zin?
Ik had geen idee dat jouw hart in hetzelfde ritme klopt.
Nevenschikkend? Steek je hand op
Onderschikkend? Steek geen hand op

Slide 16 - Slide

Wat is deze zin?
Ik had geen idee dat jouw hart in hetzelfde ritme klopt.
Nevenschikkend? Steek je hand op
Onderschikkend? Steek geen hand op

Slide 17 - Slide

Werkmoment 1
  • Maak (digitaal) van 2.7 Grammatica zinsdelen: 5, 6 en 7.
  • Dit is af aan het einde van de les.

De eerste tien minuten:

  • Je werkt alleen.
  • Je werkt in stilte (dus geen muziek luisteren).
  • Je mag nu geen vragen stellen. Schrijf ze op.
Klaar? Begin met het huiswerk voor maandag.
timer
10:00

Slide 18 - Slide

WG meer dan alleen werkwoorden!
1. een voorzetsel bij een splitsbaar werkwoord
Varun eet zijn broodje op. WG = eet op
2. het woordje ‘te’
Isa zit in haar stoel te slapen. WG = zit te slapen
3. de woorden ‘aan het’
Martin is aan het gamen. WG= is aan het game
4. het woordje ‘zich’ bij een wederkerend werkwoord      NIEUW

Slide 19 - Slide

WG met wederkerend werkwoord
  • Wederkerend werkwoord is een werkwoord waar 'zich' bij de infinitief hoort. Bijvoorbeeld: zich wassen, zich schamen.
  • Zich = wederkerend voornaamwoord.
  • Dat deel hoort ook bij het werkwoordelijk gezegde.
  • Let op! Wederkerend voornaamwoord heeft verschillende vormen........

Slide 20 - Slide

Vormen wederkerend voornaamwoord
Ik schaam me
Jij wast je
U vergist zich
Hij/zij/het gedraagt zich
Wij schamen ons
Jullie wassen je
Zij vergissen zich
Wederkerend voornaamwoord past zich aan het onderwerp aan.

Slide 21 - Slide

Werkmoment 2
  • Maak (digitaal) van 2.7 Grammatica zinsdelen: 5, 6 en 7.
  • Dit is af aan het einde van de les.

De tweede tien minuten:

  • Je mag zachtjes overleggen
  • Je mag muziek luisteren.
  • Je mag vragen stellen.
Klaar? Begin met het huiswerk voor maandag.
timer
10:00

Slide 22 - Slide

Hoe heb je gewerkt?
Opdrachten 5, 6 en 7 af? 
Steek je hand op
Begonnen aan huiswerk voor maandag? Steek je hand op

Slide 23 - Slide

Hoe heb je gewerkt?
Opdrachten 5, 6 en 7 af? 
Steek je hand op
Begonnen aan huiswerk voor maandag? Steek je hand op

Slide 24 - Slide

Afsluiting
  • Huiswerk volgende les staat in Magister.
  • We gaan verder met 2.7 Grammatica zinsdelen
  • Toets is op 7 december.

Slide 25 - Slide