Begrijpend lezen les 7: verwijswoorden

Nederlands
Begrijpend lezen
Les 7
VWO 1
 P2 2022-2023
1 / 49
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 49 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Nederlands
Begrijpend lezen
Les 7
VWO 1
 P2 2022-2023

Slide 1 - Slide

Vorige les heb je geleerd ...
... welke functie de titel heeft.
...wat de functie is van de inleiding.
...wat de functie is van het slot.
...hoe een alinea is opgebouwd.


Wie weet het nog?


Slide 2 - Slide

Aan het einde van deze les ...

... weet je wat verwijswoorden zijn.

Slide 3 - Slide

Verwijswoorden
In teksten staan woorden die verwijzen naar andere woorden . Een schrijver gebruikt ze om te voorkomen dat hij dezelfde woorden herhaalt, waardoor een tekst saai wordt.

Verwijswoorden kunnen naar één woord, een groepje woorden of een hele zin  verwijzen.   (antecedent)


Slide 4 - Slide

Verwijswoorden
Michelle heeft gisteravond het werkstuk voor aardrijkskunde gemaakt, zodat ze in het weekend naar het strand kan. ('ze' verwijst naar één woord)

Bij een bekende webwinkel heb ik twee nieuwe spellen gekocht, want die waren in de aanbieding. ('die' verwijst naar twee nieuwe spellen)

Mijn neef is Nederlands kampioen judo geworden. Dat vind ik een goede prestatie. ('dat' verwijst naar een hele zin) 

Slide 5 - Slide

Aan de slag!

Pak je boek Op Niveau erbij.
Lees tekst 5: Ben jij slimmer dan een 5-jarige (nog een keer)
Blz. 204

Slide 6 - Slide

Aan de slag!

Log in bij LessonUp:  Begrijpend lezen les 7 verwijswoorden
Maak vraag 1 t/m 10

Slide 7 - Slide

1. Waarnaar verwijst 'ze' in regel 8?

Slide 8 - Open question

2. Waarnaar verwijst 'die' in regel 11?

Slide 9 - Open question

3. Waarnaar verwijst 'ze' in regel 14?

Slide 10 - Open question

4. Waarnaar verwijst 'dat' in regel 17?

Slide 11 - Open question

5. Waarnaar verwijst 'daar' in regel 18?

Slide 12 - Open question

6. Waarnaar verwijst 'hun' in regel 21?

Slide 13 - Open question

7. Waarnaar verwijst 'ze' in regel 29?

Slide 14 - Open question

8. Waarnaar verwijst 'die' in regel 31?

Slide 15 - Open question

9. Waarnaar verwijst 'hun' in regel 34?

Slide 16 - Open question

10. Waarnaar verwijst 'Dat' in regel 34?

Slide 17 - Open question

Extra ofenen
Lees tekst 8: 'De jongen die een biljoen bomen wil planten'. (209) globaal
Maak vraag 1

Slide 18 - Slide

1. Op welke manier trekt de schrijver in de inleiding vooral de aandacht van de lezer?
A
De aanleiding voor het schrijven wordt genoemd.
B
Het onderwerp wordt aangekondigd.
C
Er worden een of meerdere vragen gesteld.
D
Een anekdote vertellen.

Slide 19 - Quiz

Extra ofenen
Lees tekst 8: 'De jongen die een biljoen bomen wil planten'. grondig
Maak vraag 2 t/m 14

Slide 20 - Slide

2. Waarnaar verwijst 'Dat' in regel 1?

Slide 21 - Open question

3. Waarnaar verwijst 'Dat' in regel 9?

Slide 22 - Open question

4. Waarnaar verwijst 'Zij' in regel 21?

Slide 23 - Open question

5. Waarnaar verwijst 'die' in regel 34?

Slide 24 - Open question

6. Waarnaar verwijst 'ze' in regel 39?

Slide 25 - Open question

7. Waarnaar verwijst 'Ze' in regel 50?

Slide 26 - Open question

8. Schrijf het deelonderwerp van alinea 3 op.

Slide 27 - Open question

9. Schrijf de kernzin van alinea 4 op.

Slide 28 - Open question

10. Wat is de functie van de overige zinnen van alinea 4?

Slide 29 - Open question

11. Schrijf de hoofdzaak van alinea 6 op.

Slide 30 - Open question

12. Wat is het deelonderwerp van alinea 7?

Slide 31 - Open question

13. Schrijf de hoofdzaak van alinea 7 op.

Slide 32 - Open question

14. Schrijf de hoofdgedachte van de tekst op.

Slide 33 - Open question

Extra ofenen
Lees tekst 9: 'Lente'. grondig
Maak vraag 1 t/m 15

Slide 34 - Slide

1. Op welke manier trekt de schrijver in de inleiding vooral de aandacht van de lezer?
A
De aanleiding voor het schrijven wordt genoemd.
B
Het onderwerp wordt aangekondigd.
C
Er worden een of meerdere vragen gesteld.
D
Een kort, grappig of bijzonder verhaaltje vertellen.

Slide 35 - Quiz

2. Hoeveel schapenwolkjes zijn er in de heldere blauwe lucht aanwezig volgens de tekst van de inleiding?

Slide 36 - Open question

3. Waarnaar verwijst 'ze' in regel 8?

Slide 37 - Open question

4. Waarnaar verwijst 'wat' in regel 16?

Slide 38 - Open question

5. Waarnaar verwijst 'Dat' in regel 30?

Slide 39 - Open question

6. Waarnaar verwijst 'die' in regel 40?

Slide 40 - Open question

7. Schrijf op wat bedoeld wordt met het lengen van de dagen (r. 5-6).

Slide 41 - Open question

8. Schrijf het deelonderwerp van alinea 3 op.

Slide 42 - Open question

9. Schrijf de kernzin van alinea 3 op.

Slide 43 - Open question

10. 'Dat komt omdat stapelwolken zich boven de warmste gebieden ontwikkelen.' Deze zin is een:
A
Hoofdzaak
B
Bijzaak

Slide 44 - Quiz

11. Hoe komt het dat hooikoortspatiënten juist in de lente snotteren?

Slide 45 - Open question

12. Schrijf de kernzin van alinea 5 op.

Slide 46 - Open question

13. Schrijf de hoofdzaak van alinea 6 op in eigen woorden.

Slide 47 - Open question

14. Past het tussenkopje 'Onstuimig weer' goed bij de inhoud van de alinea?

Slide 48 - Open question

15. Wat is de hoofdgedachte van de tekst ?

Slide 49 - Open question