2h week 10-2

Woordsoorten 
1 / 17
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 17 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Woordsoorten 

Slide 1 - Slide

woordsoorten blok 1 en 2
werkwoorden                                 persoonlijk voornaamwoord              lidwoorden                                       bezittelijk voornaamwoord
zelfstandignaamwoord              wederkerend/wederkerig vnw
bijvoeglijk naamwoord               vragend voornaamwoord    
voorzetsels                                       onbepaald voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord    betrekkelijk voornaamwoord

Slide 2 - Slide

zelfstandig werkwoorden
Belangrijkst werkwoord in de zin met een eigen betekenis (meestal het laatste werkwoord in een zin)

Ik schrijf een mooie brief.
Ik heb een mooie brief geschreven.

Slide 3 - Slide

hulpwerkwoord
Overige werkwoorden in een zin. Heeft geen eigen betekenis.

Hij heeft een dokter gebeld. 
Hij had graag dokter willen worden. 

Slide 4 - Slide

wederkerend voornaamwoord

Slide 5 - Slide

wederkerig
elkaar, mekaar, elkander 

we schudden elkaar de hand
we zien mekaar morgen nog
we hebben elkander al gezien

Slide 6 - Slide

aanwijzend voornaamwoord

Slide 7 - Slide

vragend voornaamwoord
Vragende voornaamwoorden zijn: wie, wat , welke (welk) en wat voor (een). 
Ze staan heel vaak aan het begin van een vraagzin.
Let op: wanneer je andere woorden aan het begin van een vraagzin ziet staan, is het dus geen vragend voornaamwoord. 

Slide 8 - Slide

betrekkelijk voornaamwoord
Woorden die betrekking hebben, terugverwijzen: 
die, dat, wie, wat

De kat die daar loopt, heeft een gebroken poot

Slide 9 - Slide

onbepaald voornaamwoord
Wijst iemand of iets aan, maar zegt niet precies over wie of wat het gaat: 
iemand, niemand, iets, niets etc.

Slide 10 - Slide

hoofdtelwoord
bepaald hoofdtelwoord: Geeft een precies aantal: 
zes, vijftien etc.

onbepaald hoofdtelwoord: Onduidelijk aantal: 
veel, sommige etc.

Slide 11 - Slide

rangtelwoord
bepaald rangtelwoord:
Een plaats in een rij: 
vierde, derde etc.

onbepaald rangtelwoord: Onduidelijke plaats in een rij:
eerste, laatste etc.

Slide 12 - Slide

woordsoorten blok 3 en 4
aanwijzend voornaamwoord             hoofdtelwoord
persoonlijk voornaamwoord              rangtelwoord
betrekkelijk voornaamwoord             nevenschikken voegwoord
onbepaald voornaamwoord               onderschikkend voegwoord

Slide 13 - Slide

nevenschikkend voegwoord
Deze metselen twee hoofdzinnen aan elkaar. De nevenschikkende voegwoorden kun je (bijna allemaal) uit je hoofd leren. 
Het zijn: want, (of) dus, en, maar (WODEM)

Slide 14 - Slide

voorbeeld
Het is droog, dus we kunnen buiten spelen.

1. Het is droog.
2. We kunnen buiten spelen.

Door het voegwoord dus wordt er één zin van gemaakt.

Slide 15 - Slide

onderschikkend voegwoord
Deze metselen een hoofdzin en een bijzin aan elkaar. Er zijn zo veel onderschikkende voegwoorden, dat je ze niet uit je hoofd kunt leren. 

Voorbeelden zijn: doordat, nadat, omdat, totdat, voordat, aangezien, als, daarom, dan, hoewel, indien, mits, tenzij, terwijl, toen, zodra.  

Slide 16 - Slide

voorbeeld
Het heeft hard geregend, waardoor er
overal plassen liggen.

De tweede zin is geen goedlopende zin:

1. Het heeft hard geregend. (goed!)
2. Er overal plassen liggen. (fout!)

Slide 17 - Slide