3T 5.4 Oog en Bril

5.4 Oog en bril 
1 / 33
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 3

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

5.4 Oog en bril 

Slide 1 - Slide

Herhaling 5.3
Wat weet je al:

  • Lichtstralen gaan in een rechte lijn
  • Lenzen kunnen lichtstralen "breken"
  • Een lichtstraal evenwijdig aan de hoofd-as breek door het brandpunt uit
  • Een lichtstraal door het brandpunt breekt evenwijdig aan de hoofd-as eruit
  • Een lichtstraal door het midden van de lens gaan ononderbroken door




Slide 2 - Slide

Leerdoelen

  • De verschillende onderdelen van een oog benoemen
  • Uitleggen wat accomoderen is
  • Uitleggen wat verziend is
  • Uitleggen wat bijziend is
  • Wat de werking van een bril is
  • De sterkte van een bril uitrekenen

Slide 3 - Slide

Hoofdstuk 5.4 Het oog
Het oog

Slide 4 - Slide

Wat is de functie
van de lens
A
Regelt de hoeveelheid licht in je oog
B
Zorgt voor een scherp beeld op je netvlies
C
Beschermt het oog tegen stof
D
Zorgt voor de kleur van de ogen

Slide 5 - Quiz

Wat is de functie
van de pupil?
A
Regelt de hoeveelheid licht in je oog
B
Zorgt voor een scherp beeld op je netvlies
C
Beschermt het oog tegen stof
D
Zorgt voor de kleur van de ogen

Slide 6 - Quiz

Het beeld komt ondersteboven op het netvlies.

Slide 7 - Slide

  • Pupil is de opening in de iris (de gekleurde gedeelte van de oog)
  • Veel licht - pupil klein
  • Weinig licht - pupil groot

Slide 8 - Slide

accommoderen
Als een voorwerp dichterbij komt wordt de lens boller.

Accommoderen : lens platter of boller maken

Slide 9 - Slide

Hoe dichterbij het voorwerp, hoe boller de lens.

Slide 10 - Slide

Bijziend
  •  De ooglens is te sterk of oogkas te lang.
  • Hierdoor kan je voorwerpen in de verte slecht zien. DichtBIJ kun je goed ZIEN.
  • Je hebt een negatieve lens nodig

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Video

Verziend
  • De ooglens is te zwak of oogkas te kort.
  • Je kan voorwerpen vlakbij slecht zien, veraf goed.
  • Je hebt een positieve lens nodig

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Oudziend
  • Ooglens is minder elastisch
  • Je hebt een positieve lens nodig

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Video

 verziend zonder bril
verziend met + bril
(leesbril)
+ lens

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

bijziend zonder bril
bijziend met - bril
- lens

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Link

Waarop valt het licht om een beeld te vormen in je oog?
A
Iris
B
Pupil
C
Netvlies
D
Hersenen

Slide 23 - Quiz

Bij veel licht is de pupil
A
Groot
B
Klein
C
Licht heeft geen invloed op pupil

Slide 24 - Quiz

Hoe heet het als de spiertjes rondom de lens de lens verstellen?
A
Revalideren
B
Accommoderen
C
Adapteren
D
Corrigeren

Slide 25 - Quiz

Wat is het probleem als je bijziend bent ?
A
Ooglens is te sterk
B
Ooglens is te zwak

Slide 26 - Quiz

Welke lens heb je nodig als je bijziend bent ?
A
negatief
B
positief

Slide 27 - Quiz

Is de persoon die deze bril nodig heeft verziend of bijziend?
A
verziend
B
bijziend

Slide 28 - Quiz

Het oog kan de lens niet vlakker krijgen, dus de persoon ziet een object ver weg niet scherp... Hoe noemen we dit?
A
Een lui oog
B
Een dik oog
C
Een bijziend oog
D
Een verziend oog

Slide 29 - Quiz

iris
netvlies
lens
blinde vlek
pupil
oogzenuw

Slide 30 - Drag question

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Aan de slag
Lees: 5.4 Oog en bril
Niveau 1  opdrachten 1 t/m 8
Niveau 2 opdrachten 4 t/m 11
blz 51,52,53,54

Slide 33 - Slide