Zorg en begeleiden in de VVT deel 2

Zorg en begeleiden in de VVT deel 2
Boek: Thieme verpleeg-verzorghuizen en thuiszorg
module 2 Hoofdstuk 6 Zorg en begeleiding van chronisch zieke zorgvragers

1 / 19
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 19 slides, with interactive quiz and text slides.

Items in this lesson

Zorg en begeleiden in de VVT deel 2
Boek: Thieme verpleeg-verzorghuizen en thuiszorg
module 2 Hoofdstuk 6 Zorg en begeleiding van chronisch zieke zorgvragers

Slide 1 - Slide

Wat gaan we vandaag leren?
  • Kenmerken van chronisch zieke zorgvragers
  • Zorg- en begeleidingsbehoeften van chronisch zieke zorgvragers
  • Zorg en begeleiding van chronisch zieke zorgvragers in de VVT


Slide 2 - Slide

Kenmerken van chronisch zieke zorgvragers
 Er is sprake van een chronische ziekte als:

  • de ziekte minimaal zes maanden duurt;
  • geen genezing mogelijk is;
  • de ziekte resulteert in voortdurende interventie met medicijnen of speciale benodigdheden;
  • de ziekte zorgt voor beperkingen in zelfzorg, onafhankelijk wonen en sociale interactie;
  • er gevolgen zijn voor activiteiten en maatschappelijke participatie;
  • een beroep gedaan wordt op de gezondheidszorg.





Slide 3 - Slide

Het verloop van een chronische ziekte
Het verloop van een chronische ziekte kan per ziektebeeld sterk verschillen. Je kunt het ziekteverloop van een chronische ziekte indelen in fasen:

  • prodromale fase;
  • diagnostische fase;
  • behandelfase;
  • chronische fase.

Verschillen tussen de chronische ziekten kun je in elke fase van het ziekteverloop tegenkomen.




Slide 4 - Slide

Prodromale fase
In de prodromale (voorafgaande) fase doen zich de eerste verschijnselen voor. Het hangt van de ernst van de verschijnselen af hoe lang deze fase duurt. Bij vage klachten kan het lang duren tot de zorgvrager hulp van een arts zoekt. Veel mensen zoeken eerst hun heil bij huismiddeltjes en zelfzorgmedicijnen, in de hoop dat de klachten vanzelf verminderen en verdwijnen.

Slide 5 - Slide

Diagnostische fase
Als de zorgvrager zich bij een arts meld begint de diagnostische fase.
Artsen proberen in deze fase te bepalen wat de oorzaak van de verschijnselen is.
De diagnostische fase is voor de zorgvrager een tijd van onzekerheid en angst. Voor sommige aandoeningen duurt het enige tijd voordat duidelijk is wat er precies aan de hand is. De fase eindigt met het stellen van de diagnose. 
Voor de ene zorgvrager is een diagnose een opluchting, voor de andere kan de boodschap zijn dat de ziekte niet meer overgaat.

Slide 6 - Slide

Chronische fase
In deze fase is het duidelijk dat de behandeling niet meer zal leiden tot verder herstel. Er is een evenwicht bereikt. Langdurige medicatie of therapie kan het evenwicht in stand houden.

Slide 7 - Slide

Ziekte verloop in de chronische fase
Progressief ziekteverloop. De ziekteverschijnselen worden erger en de beperkingen nemen toe. Dit gaat soms geleidelijk, zoals bij multiple sclerose (MS), de ziekte van Parkinson, ALS en de ziekte van Alzheimer, maar het kan ook snel gaan, bijvoorbeeld bij agressieve kwaadaardige aandoeningen.
 

Permanent ziekteverloop. De ziekteverschijnselen en de beperkingen blijven lange tijd hetzelfde. Het wordt niet beter, maar ook niet slechter. Dit doet zich voor bij aandoeningen als halfzijdige verlammingen en afasie.

Cyclisch ziekteverloop. Er zijn perioden dat de ziekteverschijnselen toenemen en perioden dat ze weer afnemen. Men spreekt dan van actieve en niet-actieve perioden van de ziekte. In de niet-actieve perioden kan de zorgvrager beter functioneren. Vaak is dan niet te merken dat hij een chronische ziekte heeft. De zorgvraag kan daardoor per periode verschillen. Dit kan zich voordoen bij ziekten als astma, reumatoïde artritis en de ziekte van Crohn.

Slide 8 - Slide

Problemen bij de verwerking
De manier waarop iemand met problemen en stress omgaat, noem je coping. Copingmechanismen of copinggedrag is dan hoe de zorgvrager zijn problemen en stress aanpakt. Coping kan van belang zijn voor het verloop van ziekte. Het heeft invloed op het hanteerbaar maken van de ziekte, het voorkomen van verslechtering en het bevorderen van herstel dat nog mogelijk is. 

Slide 9 - Slide

Welke coping herken jij bij jezelf tijdens het omgaan met problemen en stress?

Slide 10 - Open question

Coping heeft combinaties van reacties
  • Actief aanpakken (vechten en verstandelijk). Je bekijkt het probleem van alle kanten en je maakt doelgericht plannen om het probleem aan pakken.
  • Sociale steun zoeken (vechten en emotioneel). Je zoekt steun, begrip en hulp bij anderen. Je deelt het probleem met anderen om het samen aan te pakken en op te lossen.
  • Vermijden en afwachten (vluchten en verstandelijk). Je gaat het probleem uit de weg en wacht af.
  • Afleidend gedrag (vluchten en emotioneel). Je doet alsof het probleem er niet is. Je doet andere dingen als afleiding, bijvoorbeeld werken, eten, roken, drank- of drugsgebruik.



Slide 11 - Slide

Zelfbeeld
Het beeld dat je van jezelf hebt noem je jouw zelfbeeld. Het wordt bepaald door hoe je je voelt, jezelf ziet en beoordeelt. Het zelfbeeld kun je onderscheiding in je lichaamsbeeld (hoe je jouw lichaam ervaart) en zelfwaardering (hoe je jezelf waardeert). 

Voor jou als verzorgende is het van belang dat je het gedrag van de zorgvrager observeert en met hem in gesprek komt over hoe hij zichzelf ziet en beoordeelt. Bespreek het ziektebeeld, de symptomen, behandeling en prognose. Geef waar nodig voorlichting met betrouwbare en eerlijke informatie.

Slide 12 - Slide

Problemen bij rolverandering
Iedereen vervult in zijn leven bepaalde rollen, zoals de rol van partner, ouder, werknemer of grootouder. Bij een rol bestaan verwachtingen over het gedrag, het handelen en de houding die erbij passen. 

Slide 13 - Slide

Opdracht
Neem 5 minuten de tijd om te bespreken of jij al eens met rolveranderingen te maken hebt gehad. Bespreek je ervaringen.

Slide 14 - Slide

Een aantal aandachtspunten bij de zorg en begeleiding daarbij zijn:

  • Stimuleer de zorgvrager te praten over de problemen die hij ziet bij de vervulling van zijn rollen.
  • Inventariseer samen met de zorgvrager en naasten deze problemen.
  • Geef voorlichting over de mogelijkheden van andere hulpverleners om ondersteuning te bieden bij praktische en psychische problemen. Inventariseer samen met de zorgvrager welke andere mogelijkheden er zijn om zijn rollen te vervullen.
  • Onderstreep de waarde en de betekenis die de zorgvrager voor zijn omgeving heeft.
  • Stimuleer de omgeving om de zorgvrager zo veel mogelijk te betrekken bij beslissingen op huishoudelijk en financieel gebied.
  • Bespreek met de zorgvrager de consequenties van zijn aandoening voor zijn omgeving en bespreek welke rol hij hierin kan spelen.
  • Verwijs naar hulpverleners van andere disciplines, zoals maatschappelijker werk of een psycholoog.






Slide 15 - Slide

Pijn bestrijding bij chronische pijn
Stap 1: lichte pijnstillers, zoals paracetamol.

Stap 2: lichte pijnstiller in combinatie met een zwak morfineachtig middel, zoals codeïne.
Stap 3: morfine of een morfineachtige stof.
Stap 4: invasieve pijnbestrijding. Invasief betekent dat de behandeling door de huid of de slijmvliezen heen gebeurt. Dit kan pijnbestrijding zijn via een katheter. Een pompje geeft dan een juiste hoeveelheid pijnstilling af en kan door de zorgvrager zelf bediend worden. Behalve een pijnstillende stof kunnen ook zenuwprikkels door zwakke elektrische stroompjes pijnstillend werken. Een grotere ingreep is het toepassen van spinale pijnbestrijding, waarbij pijnstillers worden ingebracht in het ruggenwervelkanaal.


Slide 16 - Slide

Revalidatie
Revalidatie betekent letterlijk weer valide (gezond) worden na een ziekte, ongeval of medische ingreep. De meeste zorgvragers revalideren.
Drie kenmerken van revalidatie zijn biologisch, functioneel en sociaal herstel:
biologisch herstel: het lichaam zoveel mogelijk terugbrengen naar hoe het voor de ziekte of het ongeval was, door bijvoorbeeld behandeling van de ziekte met medicijnen of ingrepen, en genezing van beschadigingen en wonden;
functioneel herstel: ervoor zorgen dat de zorgvrager zo optimaal mogelijk functioneert, bij voorkeur zoals hij dat voor de ziekte of het ongeval gewend was;
sociaal herstel: de zorgvrager kan sociale contacten, werk en zijn positie in de maatschappij weer opnemen.



Slide 17 - Slide

Opdracht 
Maak de verwerkingsopdracht van dit hoofdstuk.
Boek: Thieme verpleeg-verzorghuizen en thuiszorg
module 2 Hoofdstuk 6 Zorg en begeleiding van chronisch zieke zorgvragers

Slide 18 - Slide

Wat hebben we geleerd vandaag?
Kenmerken van chronisch zieke zorgvragers
Zorg- en begeleidingsbehoeften van chronisch zieke zorgvragers
Zorg en begeleiding van chronisch zieke zorgvragers in de VVT

Slide 19 - Slide