VDA2-microteaching1-afweersysteem.pptx

ANALYSE VAN DE BEGINSITUATIE

Situering: beroepsopleiding: opleidingsprofiel
secundair volwassenenonderwijs- erkende beroepskwalificatie: “Farmaceutisch technisch assistent”

Leerlingkenmerken: voorkennis aanwezig, grote niveauverschillen

Onderwijskenmerken: positieve, actieve klas, NL!! (woordenlijst)

Omgevingskenmerken: digitale middelen beschikbaar (smartboard- gsm), whiteboard, flexibele klasopstelling

1 / 27
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieSecundair onderwijs

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 25 min

Items in this lesson

ANALYSE VAN DE BEGINSITUATIE

Situering: beroepsopleiding: opleidingsprofiel
secundair volwassenenonderwijs- erkende beroepskwalificatie: “Farmaceutisch technisch assistent”

Leerlingkenmerken: voorkennis aanwezig, grote niveauverschillen

Onderwijskenmerken: positieve, actieve klas, NL!! (woordenlijst)

Omgevingskenmerken: digitale middelen beschikbaar (smartboard- gsm), whiteboard, flexibele klasopstelling




Afweer-systeem

Wat moet je kunnen na deze les?


-->SPECIFIEKE EN NIET SPECIFEKE AFWEER UITLEGGEN!

NIET SPECIFIEK:

EERSTE-LIJNS-VERDEDIGING:

HUID EN SLIJMVLIEZEN


Fysische barrière:

  • HUID: tenzij geschonden, ONDOORDRINGBAAR

Chemische barrière: 

  • HUID: zweet- en talgklieren scheiden zure en bacterie-remmende stoffen af

  • OGEN, NEUS, MOND : traanvocht, slijm en speeksel bevatten enzymen die micro-organismen vernietigen


Mechanische barrière: 

  • LUCHTWEGEN: slijmvliezen en trilhaarepitheel

  • SLOKDARM: transport naar maag (bescherming door MAAGZUUR)

  • URINEWEGEN: weg via URINE

Competitie met lichaamseigen bacteriën:

  • NATUURLIJKE HUIDFLORA

  • NATUURLIJKE DARMFLORA

  • VAGINA: melkzuurbacteriën

Welke barriere komt het eerst in jullie op als jullie even terugdenken aan het voorbije stukje leerstof?


PATHOGEEN dringt door huid of slijmvliezen ONTSTEKINGSREACTIE: 4 kenmerken:

Roodheid (rubor): ↑ontstekingsstoffen: bloedvaten zetten uit: ↑doorbloeding: roodheid

Warmte (calor): verhoogde doorbloeding: warmte rond de kwetsuur.

Zwelling (tumor): ↑ontstekingsstoffen: ↑doorlaatbaarheid bloedvaten: afweercellen (zoals leukocyten) verlaten bloedbaan en migreren naar infectiehaard

Pijn (dolor): zwelling drukt op zenuwuiteinden en veroorzaakt pijn.

Geef de vertaling van de 4 kenmerken van een ontstekingsreactie: rubor, calor, tumor en dolor

NIET SPECIFIEK

TWEEDE-LIJNS-VERDEDIGING:

FAGOCYTOSE EN CELPERFORATIE


FAGOCYTOSE: “ETEN VAN CELLEN”

tweede barrière: een leger van LEUKOCYTEN= WITTE BLOED CELLEN

Bepaalde leukocyten,

DE MACROFAGEN, 

verplaatsen naar de infectiehaard, aangetrokken door

SIGNAALSTOFFEN

en ruimen de pathogenen op door FAGOCYTOSE


CELPERFORATIE

Andere witte bloedcellen:

Natural- killer (NK)- cellen:

  • herkennen afwijkende structuren op lichaamsvreemde cellen

  • bevatten blaasjes met perforine (= soort enzym)

=>Wanneer perforine worden vrijgelaten vormen ze  poriën in het celmembraan van de aangevallen cel. Door deze poriën stroomt vervolgens via osmose zoveel vloeistof naar binnen dat de lichaamsvreemde cel opzwelt en kapotgaat


Signaalstoffen of cytokines: EIWITTEN belangrijk voor communicatie bij zowel niet-specifieke als specifieke afweer.

  • Productie door verschillend immuuncellen ( WBC met afweerfunctie)

  • worden uitgescheiden aan het extracellulaire milieu

  • voeren hun functie uit door aan receptoren te binden op het oppervlak van de doelcel.


Beschrijf in je eigen woorden: fagocytose ( door macrofagen) en celperforatie ( door NK-cellen)

DERDE-LIJNS-VERDEDIGING:

SPECIFIEKE AFWEER


Specifieke = gerichte afweer (ADAPTIVE IMMUNITY)

  • gericht tegen één bepaald pathogeen

  • heeft geheugen: snellere herkenning bij nieuwe aanval

  • hoofdrol lymfocyten

  • Cellulaire immuniteit =

T-lymfocyten centraal

  • Humorale (in humor= vocht) immuniteit = B-lymfocyten en hun antistoffen (eiwitten) centraal

  1. Macrofagen, (niet-specifieke afweer) slokken pathogenen op (fagocytose)

  2. De pathogenen komen in contact met de lysosomen (vesikels met specifieke enzymen)

  3. De lysosomen breken de pathogenen af tot afbraakproducten (antigenen)

  4. De antigenen worden op het celmembraan van de macrofaag gepresenteerd

  5. Herkenning van de antigenen door de T-helperlymfocyt.


ACTIVATIE DOOR ANTIGEN-PRESENTATIE

T-helperlymfocyten

  • geven na activatie signaalstoffen (cytokines) af: activatie+ vermenigvuldigen cytotoxische T cellen en B-cellen

  • na eliminatie pathogeen : deel van de T-helperlymfocyten blijft als T-geheugenlymfocyten over: afweer , bij volgende aanval met hetzelfde pathogeen, SNELLER EN EFFICIËNTER


Cytotoxische T-lymfocyten

hebben receptoren die passen op een specifiek antigen : koppeling receptor-antigen:

  • afscheiding perforines : maken openingen in celmembraan van de geïnfecteerde cel

  • afscheiding andere enzymen: dringen de cel binnen en breken de  inhoud af

  • deling tot veel identieke cellen die helpen met de vernietiging

  • deel van deze cellen blijven T-geheugenlymfocyten 


T-suppressorlymfocyten:

  • Onderdrukken de activering van de T-lymfocyten wanneer het pathogeen verdwenen is zodat de ontstekingsreactie verdwijnt.

  • onderdrukken ook alle andere reacties van het afweersysteem zodat deze onder controle blijven

Welke 4 soorten T-cellen helpen nu ook al weer bij de specifiek cellulaire immuniteit?


HUMORALE IMMUNITEIT

“HUMOR”= lichaamsvocht : bloed, lymfe en weefselvocht

  • B-lymfocyten maken met behulp van T- helpercellen specifieke antistoffen (=immunoglobulines) aan tegen een bepaald antigen. Antistof vormt complex met antigen en wordt zo makkelijker ge-elimineerd door MACROFAGEN



--> T-helpercellen: via cytokines: activatie B-cellen

1) Koppeling van een B-cel met het passende antigeen

2) B-cel deelt tot massale hoeveelheden identieke B-cellen 

3) deel differentiëert tot B-geheugencellen en deel tot B-plasmacellen

4) B- plasmacellen produceren gigantische hoeveelheden antistoffen tegen het specifieke antigen

5) antistoffen komen in bloed, lymfe, weefsels en gaan binden op antigen: herkenning en vernietiging door macrofagen



Specifieke=