Grammatiktrainer Perfekt

Grammatiktrainer
Je oefent in deze les met het voltooid deelwoord
Lees de teksten
Maak de opdrachten
1 / 29
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2,3

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Grammatiktrainer
Je oefent in deze les met het voltooid deelwoord
Lees de teksten
Maak de opdrachten

Slide 1 - Slide

Lies den Text und finde das Partizip (voltooid deelwoord) der Verben. Scheiden met een komma!
Lieber Tom,
ich habe gestern die neue Schule besucht. Ich bin mit meiner Mutter da gewesen. Wir haben alle Klassenzimmer gesehen,  wir sind zum Chemielaboratorium gegangen: es hat viel Spaß gemacht! 
Aber am besten hat mir der Sportsaal gefallen!
Ich habe mit den anderen Mitschülern auch Fußball gespielt und wir haben getanzt.
Das war echt toll! Krasse!
Tschüß
Sabine

Slide 2 - Slide

schreibe hier die Partizipien (voltooid deelwoord) op. Scheiden met een komma!

Slide 3 - Open question

maken - gemaakt
zien - gezien
bezoeken - bezocht
dansen - gedanst
gehen - gegangen
machen - gemacht
sehen - gesehen
besuchen - besucht
tanzen - getanzt
gaan - gegaan

Slide 4 - Drag question

wat is een zwak werkwoord?
A
een werkwoord waarvan de klinkers in de verleden tijd niet veranderen
B
een werkwoord waarvan de klinkers in de verleden tijd wel veranderen

Slide 5 - Quiz

zwak werkwoord-voorbeelden in NL

Slide 6 - Mind map

Wie mache ich den Partizip (voltooid deelwoord) bei einem schwachen Verb?
1 - ik zoek de stam. Hoe?
hele werkwoord min EN = stam
voorbeeld: stam van machen = mach
2 - Ik plak er "ge" aan het begin en een "t" aan het einde. NOOIT een "d"!



ge + stam + t

Slide 7 - Slide

Wat gebeurt er bij werkwoorden met 't' of 'd' als laatste letter van de stam?
warten > stam is 'wart'. Dat betekent dat je in sommige gevallen een 'e' moet toevoegen.
(tegenwoordige tijd: du arbeit-est; er arbeit-et; ihr arbeit-et)
voltooid deelwoord: ge-arbeit-e



ge + stam + et

Slide 8 - Slide

Ausnahmen  - uitzonderingen!
telefonieren - stam:  telefonier  Partizip: telefoniert
studieren - stam: studier
reparieren - stam: reparier
trainieren - stam: trainier

Slide 9 - Slide

NL werkwoorden die met be-/of ver- beginnen

Slide 10 - Mind map

Wat is het voltooid deelwoord van de werkwoorden die jij hebt gevonden in het NL?

Slide 11 - Open question

bezoeken - bezocht
verkopen - verkocht
verzorgen - verzorgd
besuchen - besucht
verkaufen - verkauft
versorgen - versorgt

Slide 12 - Drag question

Hoe wordt dus het voltooid deelwoord van een werkwoord gevormd dat met be- of ver- begint?

Slide 13 - Open question

starke Verben (unregelmäßig)
moet je gewoon leren
vaak hetzelfde als in het NL

Slide 14 - Slide

Das Perfekt --> stark
1: ich habe gelesen ( vorm van haben )
2: ich bin gefahren ( vorm van sein)


HABEN: het grootste gedeelte van de werkwoorden
SEIN: werkwoorden die van A naar B bewegen

Slide 15 - Slide

Leg uit: 

ich bin gelaufen 
wir sind viel gereist

ich habe gewohnt
ich habe gesessen

Slide 16 - Slide

Leg de zinnen van de vorige slide uit.

Slide 17 - Open question

Het voltooid deelwoord van kaufen
A
gekauft
B
kauft
C
kauf
D
gekocht

Slide 18 - Quiz

Wie lange .......... du am Montag ..........?
A
hat trainiert
B
hast trainiert
C
haben getrainiert
D
hat trainieren

Slide 19 - Quiz

Ich habe Fußball ……
A
geseht
B
gesehen

Slide 20 - Quiz

Perfekt: reisen
Du ............ immer mit dem Flugzeug......, stimmt's?
A
hast gereist
B
hast gereisen
C
bist gereist
D
bist gereisen

Slide 21 - Quiz

ik heb gehoord
A
ich habe hört
B
ich habe gehört
C
ich habe gehören

Slide 22 - Quiz

jij hebt georganiseerd
A
du hat organisiert
B
du hast georganisiert
C
du hat georganisiert
D
du hast organisiert

Slide 23 - Quiz

Hij heeft Tom begroet.
A
Er hast Tom begrüßt.
B
Er hat Tom gegrüßt.
C
Er hat Tom begrüßt.
D
Er hat Tom begegrüßt.

Slide 24 - Quiz

Jij hebt te veel gepraat.
A
Du hat zu viel geredet.
B
Du hast zu viel geredt.
C
Du hat zu viel geredt.
D
Du hast zu viel geredet.

Slide 25 - Quiz

Heeft zij geantwoord?
A
Hat sie antwortet?
B
Hat sie geantwort?
C
Hat sie geantwortet?
D
Hast sie geantwortet?

Slide 26 - Quiz

wat gebeurt er met werkwoorden die op t of d eindigen? hoe vorm je het voltooid deelwoord?

Slide 27 - Open question

Slide 28 - Slide

Beschrijf in hoeverre je het geoefende beheerst. Wat zou je kunnen doen om beter te worden

Slide 29 - Open question