v4 - di090124

1 / 15
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 15 slides, with text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Qu'est-ce qu'on va faire?
  • Répéter le grammaire
  • Choisir un exercice
  • Les devoirs

Slide 2 - Slide

Grammaire: bijwoord
Het blonde meisje zingt zachtjes een liedje. 

Bijvoeglijk naamwoord:
  • zegt iets over een zelfstandig naamwoord 

Bijwoord:
  • zegt iets over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord óf een hele zin

Slide 3 - Slide

Bijwoord
1. Bijvoeglijk naamwoord eindigt op klinker: + ment 
poli -> poliment - vrai -> vraiment  

2. Bijvoeglijk naamwoord eindigt op medeklinker: éérst vrouwelijk maken, dán + ment 
heureux -> heureuse -> heureusement

Slide 4 - Slide

Bijwoord uitzonderingen
1. Bijvoeglijk naamwoord eindigt op -ant:  -ant wordt -amment
méchant -> méchamment

2. Bijvoeglijk naamwoord eindigt op -ent: -ent wordt -emment
évident - évidemment 

Worden beide hetzelfde uitgesproken

Slide 5 - Slide

Onregelmatige vormen
bijvoeglijk nw
bijwoord
vertaling
bon
bien
goed
meilleur
mieux
beter
mauvais
mal
slecht
gentil
gentiment
aardig
long
longtemps
lang
rapide
vite 
snel

Slide 6 - Slide

Uitdrukkingen
  1. travailler dur - hard werken
  2. coûter cher / payer cher - duur zijn / er veel voor betalen 
  3. parler haut / parler bas - hoog / laag praten
  4. sentir bon / sentir mauvais - goed / slecht voelen
  5. faire pareil - hetzelfde doen 

Slide 7 - Slide

Présent

J'attends = ik wacht
Tu attends
Il/elle/on attend
Nous attendons
Vous attendez
Ils attendent

(Hele ww -re + s/s/../ons/ez/ent)
PC

J'ai attendu = ik heb gewacht
Tu as attendu
Il/elle/on a attendu
Nous avons attendu
Vous avez attendu
Ils/elles ont attendu

(hele ww -re + u)

Slide 8 - Slide

Imparfait

J'attendais = ik wachtte
Tu attendais
Il/elle/on attendait
Nous attendions
Vous attendiez
Ils attendaient

(Nous-vorm présent -ons +ais/ais/ait/ions/iez/aient)
Futur

J'attendrai = ik zal wachten
Tu attendras
Il/elle/on attendra
Nous attendrons
Vous attendrez
Ils/elles attendront

(Hele ww -e + uitgang avoir)

Slide 9 - Slide

Aller = gaan
onregelmatig

Slide 10 - Slide

Présent

Je vais = ik ga
Tu vas
Il/elle/on va
Nous allons
Vous allez
Ils/elles vont


PC

Je suis allé(e) = ik ben gegaan
Tu es allé(e)
Il/elle/on est allé(e)
Nous sommes allé(e)s
Vous êtes allé(e)(s)
Ils/elles sont allé(e)s


Slide 11 - Slide

Imparfait

J'allais = ik ging
Tu allais
Il/elle/on allait
Nous allions
Vous alliez
Ils/elles allaient

(Nous-vorm présent -ons +ais/ais/ait/ions/iez/aient)
Futur

J'irai = ik zal gaan
Tu iras
Il/elle/on ira
Nous irons
Vous irez
Ils/elles iront

(ir + uitgang avoir)

Slide 12 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord
mijn
jouw
zijn/haar
ons, onze
uw, jullie
hun
mnl
mon
ton
son
notre
votre
leur
vrl
ma
ta
sa
notre
votre
leur
mv
mes
tes
ses
nos
vos
leurs

Slide 13 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord (zelfstandig gebruikt
mijn
jouw
zijn/haar
ons, onze
uw, jullie
hun
mnl
le mien
le tien
le sien
le nôtre
le vôtre
le leur
vrl
la mienne
la tienne
la sienne
la nôtre
la vôtre
la leur
mnl mv
les miens
les tiens
les siens
les nôtres
les vôtres
les leurs
vrl mv
les miennes
les tiennes
les siennes
les nôtes
les vôtes
les leurs

Slide 14 - Slide

Les devoirs
Vendredi le 12 janvier

Apprendre: blokje regarder/lire/écrire (page 104)
Faire: keuzeopdracht blz. 94-97 (kies één grammatica-onderwerp uit)

Slide 15 - Slide