Leesondersteuning 4 maart

Leesvaardigheid 
  • Je kunt uitleggen wat tekstverbanden zijn en wat signaalwoorden zijn;
  • Je kunt verschillende tekstverbanden herkennen aan de hand van signaalwoorden;
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Leesvaardigheid 
  • Je kunt uitleggen wat tekstverbanden zijn en wat signaalwoorden zijn;
  • Je kunt verschillende tekstverbanden herkennen aan de hand van signaalwoorden;

Slide 1 - Slide

Leesvaardigheid 
  • Je kunt uitleggen wat tekstverbanden zijn en wat signaalwoorden zijn;
  • Je kunt verschillende tekstverbanden herkennen aan de hand van signaalwoorden;
  • Je kunt tijdsvolgorde, opsomming, tegenstelling en oorzaak-gevolg in een tekst herkennen.

Slide 2 - Slide

Hoe formuleer je het onderwerp van een tekst?
A
In een hele zin
B
Een kleine samenvatting
C
In een woord of een paar woorden
D
Altijd in minimaal 3 woorden

Slide 3 - Quiz

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?
A
De belangrijkste informatie uit de tekst samengevat in een zin
B
mening van de schrijver
C
waar de tekst overgaat
D
de kernzin van de tekst

Slide 4 - Quiz

Hoe formuleer je de hoofdgedachte van een tekst?
A
in een woord of paar woorden
B
in een vraagzin
C
in een hele zin
D
in een alinea

Slide 5 - Quiz

Wat voor tekstverband geeft het signaalwoord 'en' aan?
A
redengevend
B
oorzakelijk
C
opsommend
D
tegenstellend

Slide 6 - Quiz

Wat voor tekstverband geeft het signaalwoord 'maar' aan?
A
tijdsvolgorde
B
oorzakelijk
C
opsommend
D
tegenstellend

Slide 7 - Quiz

Wat voor tekstverband geeft het signaalwoord 'want' aan?
A
redengevend
B
oorzakelijk
C
opsommend
D
tegenstellend

Slide 8 - Quiz

Wat voor tekstverband geeft het signaalwoord 'ook' aan?
A
redengevend
B
oorzakelijk
C
opsommend
D
tegenstellend

Slide 9 - Quiz

Welk tekstverband geeft het signaalwoord 'doordat' aan?
A
tijdsvolgorde
B
opsomming
C
samenvatting
D
oorzaak/gevolg

Slide 10 - Quiz

Samenhang
In een goede tekst hangen woorden, zinnen en alinea's met elkaar samen. Dit betekent dat ze goed op elkaar aansluiten.

Ik ga naar school. Huiswerk maken is zo vermoeiend. Lekker slapen. 
In de bovenstaande zin zit geen samenhang. 

Huiswerk maken was vandaag erg vermoeiend. Daarom ga ik nu slapen.
In bovenstaande zin zit wel samenhang.

Slide 11 - Slide

Samenhang
Een samenhang in een tekst noemen we een verband. Tekstverbanden kun je herkennen aan signaalwoorden. Signaalwoorden geven dus de samenhang 
van een tekst aan. 

Slide 12 - Slide

Als ik thuis ben, ga ik een aantal dingen doen. ____________ ga ik mijn huiswerk maken. Huiswerk maken is echt vermoeiend, ____________ ik vind het belangrijk om goede cijfers te halen.
ten eerste
doordat
maar
omdat

Slide 13 - Drag question

Slide 14 - Video

Een tegenstellend verband beschrijft gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 15 - Quiz

Welke signaalwoorden horen bij een opsommend verband?
A
vroeger, later, nu, eerst, daarna, vervolgens
B
maar, tegenover, daarentegen, toch
C
ten eerste, ook, verder, en
D
bijvoorbeeld, zo, zoals, denk aan

Slide 16 - Quiz

Voorbeelden van de tekstverbanden
Tijdsvolgorde (chronologisch) verband
Als ik naar school ga, moet ik eerst met de fiets naar het busstation, dan met de bus naar Appingedam en vervolgens nog 5 minuten lopen. 

Slide 17 - Slide

Opsommend verband
Om te beginnen vind ik dit boek erg vervelend om te lezen. Verder zou ik graag een ander thema kiezen. 

Slide 18 - Slide

Tegenstellend verband
Ik vind pizza erg lekker, maar ik eet het niet zo vaak. 


Slide 19 - Slide

Tegenstellend verband
Ik vind pizza erg lekker, maar ik eet het niet zo vaak. 

Oorzaak - gevolg
Ik kwam te laat op school, doordat het erg hard waaide. 

Slide 20 - Slide

Welk verband herken je in de tekst:
Het begint met een idee voor een game. Eerst maken de tekenaars figuren die bij een spel passen. Daarna wordt er een kartonnen bordspel van de game gemaakt. Vervolgens gaan de programmeurs aan de slag.

A
Tijdsvolgorde verband
B
Opsommend verband
C
Tegenstellend verband

Slide 21 - Quiz

Welk verband herken je in de tekst: Met Jantine op haar rug kan het paard draven. 'Maar vandaag niet, want door de regen is het weiland te nat.'
A
Tijdsvolgorde verband
B
Opsommend verband
C
Tegenstellend verband

Slide 22 - Quiz

  • Je weet wat tekstverbanden zijn en wat signaalwoorden zijn;

  • Je kunt drie verschillende tekstverbanden herkennen aan de hand van signaalwoorden;

  • Je kunt een tijdsvolgorde, opsomming en tegenstelling in een tekst herkennen.

Slide 23 - Slide

Noteer in je eigen woorden wat een tekstverband is.
timer
1:30

Slide 24 - Open question

Noteer in je eigen woorden wat een signaalwoord is.
timer
1:30

Slide 25 - Open question

Sleep de signaalwoorden naar het juiste tekstverband. Zorg dat bij elk tekstverband drie signaalwoorden staan.
Tijdsvolgorde
Opsomming
Tegenstelling
ten eerste
nu
binnenkort
maar
vroeger
en
ook
toch
echter

Slide 26 - Drag question

Aan de slag!
1. Lees de tekst 'Is de coronacrisis dan op zijn minst goed voor het klimaat?'
2. Maak de opdracht: Aan de slag/vragen beantwoorden.
3. Maak de opdracht: Keuze-opdracht: Woordenschat.

Slide 27 - Slide