Farmacokinetiek - Farmacologie en toxicologiebespreking

Joost Besseling & Annabel Werumeus Buning

Farmacologie en toxicologiebespreking - 23 maart

1 / 25
next
Slide 1: Slide
farmacokinetiekWOStudiejaar 1

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Joost Besseling & Annabel Werumeus Buning

Farmacologie en toxicologiebespreking - 23 maart

Slide 1 - Slide

Waar denken jullie aan bij het begrip farmacokinetiek?

Slide 2 - Open question

Farmacokinetiek
Farmacokinetiek is de wetenschap die kwantitatief
beschrijft hoe snel een geneesmiddel het lichaam
binnenkomt, hoe het zich verdeelt en hoe snel het er
weer uitgaat.

• AMDE


Slide 3 - Slide

Absorptie

*Biologische beschikbaarheid: fractie werkzame stof opgenomen in de circulatie


* Enterohepatische kringloop: gnm vanuit lever via gal opnieuw uitgescheiden in darmen --> weer geabsorbeerd


Tijd(uur)
Concentratie(lmg)
i.v. toediening
Orale toediening

Slide 4 - Slide

Distributie - Vd
* Verdelingsvolume (Vd): maat voor verdeling in lichaam 
  Fictief! Vd = dosis/plasmaconcentratie
 
--> Hoe groter het Vd, hoe meer het geneesmiddel zich
verspreidt over de weefsels
--> Vd > 100 L: geneesmiddel voornamelijk buiten het bloed
(vb digoxine, amiodaron)



Slide 5 - Slide

Distributie - eiwitbinding
•Binding aan albumine (of andere eiwitten)

•Verlaagde eiwitbinding van geneesmiddelen: meer actieve vorm in bloed
– Consequenties?
•Alleen bij gnm met hoge eiwitbinding (>90%): Bijv. fenytoïne, valproïnezuur
•Alleen als de nier- en/of leverfunctie gestoord is










Slide 6 - Slide

Metabolisme
•Omzetting van het geneesmiddel in lever/darm/nier.
–In (in)actieve metabolieten
•Fase I: biotransformatie en chemische omzetting
•Fase II: conjugatie


--> geneesmiddelen zoals midazolam en morfine worden juist omgezet in werkzame metabolieten.

Cave: Interacties met andere middelen die metabolisme remmen/versnellen


Slide 7 - Slide

Metabolisme

Door:

- Cytochroom P450 (CYP) enzymen

- Glucuronidases (UGT) enzymen

- P-glycoprotein (Pgp, ABCB1, MDR1)



Slide 8 - Slide

Eliminatie

Klaring en halfwaardetijd

Maat voor de verblijfsduur van stof in lichaam

Tijd waarin Cplasma * ½



Nierinsufficiëntie: Cl

Leeftijd: Cl










t21
Cmax21
t21

Slide 9 - Slide

Eliminatie

Hoe lang duurt het voor dat een geneesmiddel uit het lichaam geklaard is?


Berekenen met behulp van de halfwaardetijd:


Na 4-5x t1/2

Reden: 
         Na 1 gift, 1x t1/2:50% over

                 2e gift: 50% van gift 1+100% gift 2 = 150%

         Na 2x t1/2: 75%
         Na 3x t1/2: 87.5%

         Na 4x t1/2: 93.75%

         Na 5x t1/2: 96.88%










Slide 10 - Slide

Wat zijn de voorwaarden voor TDM?
(waar moet het geneesmiddel/de patiënt aan voldoen?)

Slide 11 - Open question

Bloedspiegels wel of niet?
  • Meestal doseren op klinisch effect.
  • Maar als:
    Er veel variabiliteit in farmacokinetiek (Vd, CL) is (zelfde dosis leidt bij verschillende patiënten tot andere blootstelling). Dan kunnen bloedspiegels zinvol zijn.

Slide 12 - Slide

Therapeutic Drug Monitoring (TDM)

Zinvol als:

• Het effect niet direct meetbaar is (klinisch beeld)
• Het geneesmiddeleffect niet op een eenvoudige wijze te bepalen is (vb INR)
• Er veel variatie in farmacokinetiek is
• Het therapeutisch raam smal is
• Spiegels een voorspellende waarde hebben






Slide 13 - Slide

TDM antibiotica

Aminoglycosides (Cmax/MIC)

           – Gentamicine
           – Tobramcyine
          ---> dalspiegel < 1 mg/L i.v.m. toxiciteit
           – Amikacine
          ---> dalspiegel <5mg/L i.v.m. toxiciteit
Vancomycine (AUC/MIC)
Beta-lactam antibiotica (T>MIC)










Slide 14 - Slide

TDM hulpmiddelen AMC
Kwadraet: Beleid spiegelbepalingen (gentamicine, vancomycine, tobramycine en amikacine)
Labboekje
Consulent apotheek *59695


Slide 15 - Slide

Een patiënt met boezemfibrilleren waarvoor hij met digoxine wordt behandeld, krijgt een kuurtje claritromycine voorgeschreven. Na enkele dagen begint hij te klagen over duizeligheid en hartkloppingen. U vermoedt een te hoge digoxine spiegel als gevolg van de claritromycine. Hoe werkt dit?
A
claritromycine verbetert de absorptie van digoxine
B
claritromycine zorgt voor een betere eiwitbinding en dus transport van digoxine
C
claritromycine zorgt voor een betere eiwitbinding en dus transport van digoxine
D
claritromycine remt de renale uitscheiding van digoxine

Slide 16 - Quiz

Een 61-jarige man wordt opgenomen i.v.m. een nefrotisch syndroom en u probeert hem o.a. te ontwateren met furosemide. Dit heeft vooralsnog weinig effect en u zet de furosemide om in bumetanide. De urineproductie komt flink op gang. Wat is hiervan de oorzaak?
A
Betere absorptie van bumetanide vs furosemide
B
Betere distributie van bumetanide vs furosemide
C
Beter metabolisme van bumetanide vs furosemide
D
Gunstigere eliminatie van bumetanide vs furosemide

Slide 17 - Quiz

Vrouw, 53 jaar, bekend met hypertensie w.v. amlodipine 10mg 1dd. Zij heeft maagklachten en blijkt een H. Pylori infectie te hebben. Haar internist schrijft haar pantopac voor. Drie dagen later wordt zij duizelig en suf op de SEH gepresenteerd met een tensie van 80/50. Welke interactie is hiervoor opgetreden?
A
Pantoprazol verhoogt de pH in de maag waardoor amlodipine beter opgenomen wordt
B
Pantoprazol remt CYP2C19 waardoor amlodipine minder gemetaboliseerd wordt.
C
Clarithromycine remt CYP3A4 waardoor amlodipine minder omgezet wordt in inactieve stoffen
D
Amoxicilline vermindert de renale klaring van amlodipine

Slide 18 - Quiz

U behandelt al jaren een man van 53 op uw poli ivm DM2. In het lab van een week geleden voor het polibezoek van vandaag ziet u dat zijn eGFR is gedaald van 75 naar 45 ml/min. Dit blijkt in de 24-uurs urine die hij heeft gespaard hetzelfde te zijn. Wat doet u met zijn metformine 3dd (1G;1G; 500mg)?
A
Niets
B
Halveren
C
Kwarteren
D
Stoppen

Slide 19 - Quiz

Een 30-jarige vrouw (nier Tx in VG, krijgt nu oa tacrolimus), wordt opgenomen i.v.m. dehydratie agv heftige gastritis met diarree. De dd nefroloog waarschuwt u (de zaalarts) dat u de tacrolimusspiegels goed in de gaten moet houden. Wat verwacht u hier van en waarom?
A
Stijging van de spiegel agv verminderde eliminatie door verminderde nierfunctie a.g.v. uitdroging
B
De spiegel zal waarschijnlijk dalen a.g.v. verminderde opname in de darm
C
De spiegel zal waarschijnlijk stijgen a.g.v. verbeterde opname in de darm

Slide 20 - Quiz

Emanuel (BMI 19) en Willem-Alexander (BMI 35) hebben allebei een week alprazolam gebruikt om even lekker in te slapen tijdens een stressvolle periode. Hun echtgenotes Angela (BMI 35) en Maxima (BMI 19) willen ook lekker slapen, maar hebben diazepam gebruikt. Nu stoppen ze alle vier met hun benzodiazepine. Wie blijft er nog het langst suf overdag en wie het minst?
A
Emanuel blijft het langst suf, Willem-Alexander het minst lang
B
Emanuel blijft het langst suf, Maxima het minst lang
C
Angela blijft het langst suf, Willem-Alexander het minst lang
D
Angela blijft het langst suf, Emanuel het minst lang

Slide 21 - Quiz

Gentamicine wordt  bij obese patiënten gedoseerd op adjusted body weight en niet op het daadwerkelijke lichaamsgewicht. Wat is adjusted body weight? En waarom doseren we daarmee ipv totale lichaamsgewicht?











Slide 22 - Slide

Welke farmacokinetische parameter van gentamicine is dus anders bij obese patiënten tov niet-obese patiënten?

Slide 23 - Slide

U neemt een man van 45 jaar op (80kg) met verdenking cholangiosepsis en behandelt hem met amoxicilline en gentamicine. Zijn kreat is 155 en zijn berekende klaring komt hiermee op 45 ml/min. U start met 400mg gentamice 1dd i.v. en besluit na 24 uur een dalspiegel te bepalen. Noem drie eigenschappen waaraan gentamicine voldoet om in aanmerking te komen voor TDM.

Slide 24 - Slide

Dan belt het lab: er is een monster verwisseld; zijn kreat is niet 155, maar 90, met daarbij een berekende klaring van 85 ml/min. Wanneer geeft u nu de volgende gift en neemt u de dalspiegel af?
A
gift na 24 uur, dalspiegel na de eerste gift
B
gift na 12 uur, dalspiegel na de eerste gift
C
gift na 12 uur, dalspiegel na de tweede gift
D
gift na 24 uur, dalspiegel na de tweede gift

Slide 25 - Quiz