Ontleden: persoonsvorm, gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp

Meewerkend voorwerp
Grammatica zinsdelen
1 / 33
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Meewerkend voorwerp
Grammatica zinsdelen

Slide 1 - Slide

Zoek het onderwerp:
Mijn opa is jarig.
A
jarig
B
is
C
Mijn opa
D
opa

Slide 2 - Quiz

Zoek het onderwerp:

Hij belt de dokter voor een afspraak.
A
de dokter
B
voor een afspraak
C
belt
D
Hij

Slide 3 - Quiz

Zoek het onderwerp:

Zij hebben allemaal zin in een ijsje.
A
allemaal
B
Zij
C
een ijsje
D
hebben

Slide 4 - Quiz

Zoek de persoonsvorm:
Ik ga naar de bibliotheek.
A
naar
B
ga
C
de
D
ik

Slide 5 - Quiz

Zoek de persoonsvorm: Mijn vader heeft gezegd dat ik moet oppassen.
A
heeft
B
heeft, gezegd
C
heeft, moet
D
heeft, gezegd, moet

Slide 6 - Quiz

Zoek de persoonsvorm: Omdat de taart aangebrand was, wordt hij niet geserveerd.
A
aangebrand, was
B
was, wordt
C
aangebrand, was, wordt
D
was

Slide 7 - Quiz

Zoek het Lijdend-voorwerp:
Lindy maakt haar huiswerk
A
Lindy
B
Maakt
C
huiswerk
D
haar huiswerk

Slide 8 - Quiz

Zoek het lijdend voorwerp uit deze zin:

Hij vertelt een spannend verhaal.
A
Hij
B
Er is geen lijdend voorwerp
C
een spannend verhaal
D
vertelt

Slide 9 - Quiz

zoek het lijdend voorwerp
Ik hou van bloemen en planten.
A
bloemen
B
bloemen en planten
C
van bloemen en planten
D
er is geen lijdend voorwerp

Slide 10 - Quiz

Werkwoordelijk gezegde?

Ik kan het werkwoordelijk gezegde benoemen.
A
ik
B
kan
C
benoemen
D
kan benoemen

Slide 11 - Quiz

Zoek het werkwoordelijk gezegde

Hebben de varkens alles opgegeten?
A
hebben
B
hebben opgegeten
C
de varkens

Slide 12 - Quiz

Zoek het werkwoordelijk gezegde

Morgen bel ik mijn moeder op.
A
bel
B
bel op
C
ik

Slide 13 - Quiz

Zoek het werkwoordelijk gezegde:

Zij zijn naar huis gefietst in de regen.
A
gefietst
B
zijn
C
zijn gefietst
D
in de regen

Slide 14 - Quiz

Meewerkend voorwerp
In zinnen met een lijdend voorwerp kan ook een meewerkend voorwerp staan.

Het geeft aan voor / aan wie iets bestemd is.

Slide 15 - Slide

Meewerkend voorwerp

Stel de vraag:


Aan/Voor wie + ww gezegde +
onderwerp + lijdend voorwerp


Je moet het woord aan/voor kunnen toevoegen/weglaten

Slide 16 - Slide

Zo vind je het meewerkend voorwerp

De docent heeft een boek aan Henk gegeven.

1. Zoek eerst de persoonsvorm, gezegde , onderwerp en het lijdend voorwerp.

Slide 17 - Slide

Zo vind je het meewerkend voorwerp

De docent heeft een boek aan Henk gegeven.

1. Zoek eerst de persoonsvorm, gezegde , onderwerp en het lijdend voorwerp.
2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Slide 18 - Slide

Zo vind je het meewerkend voorwerp
De docent heeft een boek aan Henk gegeven.

1. Zoek eerst de persoonsvorm, gezegde , onderwerp en het lijdend voorwerp.
2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
Aan wie heeft de docent  een boek gegeven

Slide 19 - Slide

Zo vind je het meewerkend voorwerp
De docent heeft een boek aan Henk gegeven.

1. Zoek eerst de persoonsvorm, gezegde , onderwerp en het lijdend voorwerp.
2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
Aan wie heeft de docent  een boek gegeven? aan Henk

Slide 20 - Slide

Welk woord in de zin is de persoonsvorm?
Ik fiets op mijn fiets naar school
A
fiets(1e woordje)
B
fiets (2e woordje)
C
Ik
D
school

Slide 21 - Quiz

Wat is een persoonsvorm altijd?
A
lidwoord
B
zelfstandig naamwoord
C
bijvoeglijk naamwoord
D
werkwoord

Slide 22 - Quiz

De monteur heeft mijn scooter gerepareerd.
Wat is de persoonsvorm?
A
De monteur
B
heeft
C
mijn scooter
D
gerepareerd

Slide 23 - Quiz

De monteur heeft mijn scooter gerepareerd.
Wat is het gezegde?
A
De monteur
B
heeft
C
mijn scooter
D
heeft gerepareerd

Slide 24 - Quiz

De monteur heeft mijn scooter gerepareerd.
Wat is het onderwerp?
A
De monteur
B
heeft
C
mijn scooter
D
heeft gerepareerd

Slide 25 - Quiz

De monteur heeft mijn scooter gerepareerd.
Wat is het lijdend voorwerp?
A
De monteur
B
heeft
C
mijn scooter
D
heeft gerepareerd

Slide 26 - Quiz

Mijn moeder heeft mijn oma een nieuwe jas gegeven.
mijn oma =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
gezegde

Slide 27 - Quiz

Mijn moeder heeft mijn oma een nieuwe jas gegeven.
een nieuwe jas =
A
onderwerp
B
meewerkend voorwerp
C
lijdend voorwerp
D
gezegde

Slide 28 - Quiz

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Wat is de persoonsvorm?

Slide 29 - Open question

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Wat is het gezegde?

Slide 30 - Open question

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Wat is het onderwerp?

Slide 31 - Open question

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Wat is het lijdend voorwerp?

Slide 32 - Open question

Wie heeft gisteren mijn konijn eten gegeven?
Wat is het meewerkend voorwerp?

Slide 33 - Open question