Les 6 - waarom woordenschat belangrijk is

Les 6 - waarom woordenschat belangrijk is
1 / 34
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Les 6 - waarom woordenschat belangrijk is

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

pg.81

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

In duo
Werk per twee: 
- Eén leerling leest het raadsel voor op pg.81
- De andere leerling beantwoordt de vragen zo snel mogelijk, zonder er bij na te denken. 
  • Waarom antwoord je dat een koe melk drinkt? 

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

pg.81

Slide 4 - Slide

Ons mentale lexicon maakt deel uit van onze kennis van het taalsysteem. Deze kennis gebruiken we grotendeels onbewust. Pas als we ons verspreken of niet op een woord kunnen komen, worden we ons ervan bewust hoe geautomatiseerd het proces van spreken en woorden oproepen verloopt. 

Bij het produceren en verwerken van taal spelen verbindingen tussen verschillende woorden een belangrijke rol (mentale lexicon). Woorden zijn met elkaar verbonden in het mentale lexicon wanneer ze verwant zijn in vorm, betekenis en/of gebruik. Door deze verbindingen worden verwante woorden mee geactiveerd wanneer je met een woord geconfronteerd wordt. 
Associaties 
Jullie krijgen 5 post-its. De bedoeling is om per post-it de eerste drie woorden die in je opkomen bij de volgende woorden te schrijven. Doe dit zo snel mogelijk:
  1. vogel
  2. rood
  3. mooi
  4. baby
  5. geloof 

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Associaties 
Hang de post-its bij de woorden op bord. Bespreek:
  • Zijn er opvallende verschillen en gelijkenissen?
  • Kan je die verklaren door leeftijd, geslacht of culturele achtergrond? 

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

pg.82
timer
5:00

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

pg.82

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

pg.82
timer
5:00

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Nieuwe woorden
Er ontstaan voortdurend nieuwe woorden (neologismen). Wat betekenen deze woorden? Hoe kan je hun betekenis achterhalen? 

Slide 10 - Slide

This item has no instructions


A
Overal in de natuur worden pannenkoekenhuizen gezet
B
De tussen-n in de Nederlandse spelling komt steeds vaker voor.

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions


A
Wanneer je bijna klaar bent met een boek uit te lezen.
B
Het verdrietige gevoel dat je krijgt wanneer je een boek uit hebt gelezen.

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions


A
Iemand eerst negeren en nadien aan zichzelf laten twijfelen.
B
een Halloweenoptocht organiseren.

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions


A
Iemand die mensen ontmoedigt om bepaalde producten te kopen.
B
de influencer met de meeste volgers.

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions


A
Wanneer je naar een bepaald product op zoek bent in de supermarkt.
B
een rondleiding in de supermakt over betaalbare boodschappen.

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions


A
Wanneer je veel berichtjes stuurt met iemand die niet je partner is.
B
Wanneer je datingapps gebruikt om vreemd te gaan.

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions


A
een stapel ongelezen boeken waarvoor iemand beschaamd is.
B
Op herhaalde momenten beschaamd zijn over hetzelfde.

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions


A
een gelddonatie voor kunstenaars.
B
een kort bezoekje aan een museum of theater.

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Hoe kan je de betekenis van nieuwe woorden achterhalen?

Slide 19 - Open question

This item has no instructions

pg.82

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

pg.83

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Eerste hulp bij nieuwe woorden
STAP 1:
Is het woord belangrijk? Heb ik het nodig om de zin/tekst te begrijpen?
STAP 2 :
Lijkt het woord op een gelijkaardig woord uit het Nederlands of een andere taal?
STAP 3:
Vind ik informatie over het woord in de tekst?
STAP 4:
Ken ik een deel van het woord?
STAP 5:
Kan ik hulp vragen aan iemand of kan ik het woord opzoeken?

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

analogie
Stap 2: lijkt het woord op een gelijkaardig woord in het Nederlands?
= Je herkent in het woord een ander woord dat je wel kent. Dit kan je met andere Nederlandse woorden doen, maar je kan ook andere talen gebruiken.


Slide 23 - Slide

This item has no instructions

importeren = goederen komen binnen, exporteren = ... ?

Slide 24 - Open question

This item has no instructions

leenwoorden
Stap 2: lijkt het woord op een woord in een andere taal?
Je herkent in het woord een woord dat je wel kent uit een andere taal.  



Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Wat betekent het woord 'amoureus' en op welk woord uit een andere taal lijkt dit?

Slide 26 - Open question

This item has no instructions

context
Stap 3: Vind ik informatie over het woord in de tekst?
achterhaal de betekenis op basis van de context: lees de zinnen ervoor en erna, bekijk afbeeldingen... Misschien kan je de betekenis afleiden uit andere informatie die je krijgt.




Slide 27 - Slide

This item has no instructions

“Sophie Wooward is een sociologe: voor haar job onderzoekt ze onze samenleving en alles wat daar mee te maken heeft.”

Wat is een socioloog?

Slide 28 - Open question

This item has no instructions

woordopbouw
Stap 4: Ken ik een deel van het woord?
Je kan het woord opdelen in delen die je misschien wel kent. Dit kan vaak met samenstellingen of afleidingen en woorden die een voorvoegsel hebben. Als je een deel van het woord kent, is het mogelijk om de betekenis af te leiden. 

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Wat betekent anti-transparant?

Slide 30 - Open question

This item has no instructions

hulpbronnen
Stap 5: Kan ik hulp vragen aan iemand of kan ik het woord opzoeken?
Vraag het aan een medeleerling of leerkracht
Zoek het woord op in een online woordenboek:
  • www.encyclo.nl
  • www.vandale.be
  • www.woorden.org 
  • www.mijnwoordenboek.nl 

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Nieuwe woorden
pg.83

Slide 32 - Slide

Tip: laat de leerlingen hun bronnen van de mini GIP meenemen. Geef ze wat meer tijd om een lijst te maken van relevante woorden in hun onderzoekje. 
Taak: woordenlijst mini-GIP
Voor deze opdracht gebruik je één van de bronnen van de mini-GIP waar je aan werkt tijdens atelier. Je krijgt een taak waarop je een woordenlijst zal aanleggen. Deze taak staat op Google Classroom.
  • Kies 8 nieuwe woorden uit je bron
  • Schrijf het woord op
  • Noteer het nummer (de stap) van de woordstrategie die je gebruikt hebt. Varieer
  • Schrijf de betekenis kort op in je eigen woorden.
  • Gebruik twee nieuwe woorden in een zelf geschreven zin. 

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

30 seconden spelregels
Groepjes van 3
  • Neem om beurten een kaartje van de stapel. Hierop staan 5 woorden. 
  • Omschrijf de 5 woorden aan je team. 
  • Een teamgenoot timet intussen 30 seconden.
  • Je mag het woord niet gedeeltelijk uitspreken of vertalen.
  • Hebben je teamgenoten alle 5 woorden binnen de 30 seconden? Dan krijg je een punt.





Slide 34 - Slide

This item has no instructions