Toets 05 Lesvoorbereiding

Je wilt met een leerling vak parkeren gaan oefenen. Op dat moment zegt de leerling ''mijn vader heeft mij dit al geleerd, ik kan dit dus al."
Wat kan je in deze situatie het beste doen?
A
De leerling in een vak laten parkeren en eventueel aanvullen wat er nog ontbreekt.
B
De leerling een compliment geven voor zijn inzet en beginnen met een nieuw lesonderwerp.
C
De leerling vragen of hij nog meer onderwerpen beheerst. Zodat je als instructeur daarop aangepast met de instructie verder kan gaan.
1 / 60
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding

This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Je wilt met een leerling vak parkeren gaan oefenen. Op dat moment zegt de leerling ''mijn vader heeft mij dit al geleerd, ik kan dit dus al."
Wat kan je in deze situatie het beste doen?
A
De leerling in een vak laten parkeren en eventueel aanvullen wat er nog ontbreekt.
B
De leerling een compliment geven voor zijn inzet en beginnen met een nieuw lesonderwerp.
C
De leerling vragen of hij nog meer onderwerpen beheerst. Zodat je als instructeur daarop aangepast met de instructie verder kan gaan.

Slide 1 - Quiz

Wat staat er in een leergang praktijkles vermeld?
A
De handelingsanalyse.
B
De instructievorderingskaart.
C
Het lesplan voor een praktijkles.

Slide 2 - Quiz

U wilt een goed presterende leerling uitdagen.
Wat is de meest logische opbouw?
A
Een open leertaak die de leerling vrijheid geeft voor een eigen aanpak.
B
Een gesloten leertaak met daarin een route die veel conflictsituaties bevat.
C
Een leertaak die deze leerling goed aankan op een geautomatiseerd beheersingsniveau.

Slide 3 - Quiz

Een instructeur vraagt aan het begin van de les of de leerling thuis het onderwerp rotondes heeft doorgenomen, die hij vandaag gaat behandelen.
De leerling heeft dit niet gedaan, omdat hij ziek was.
Hoe kan de instructeur didactisch gezien het beste reageren?
A
Een uitleg geven over het rijden op rotondes en daarna naar een route rijden.
B
Eisen dat hij zich voortaan goed voorbereidt en daarna uitleggen over rotondes.
C
Naar een rotonde toe laten rijden en daar uitleg geven over het berijden en vervolgens oefenen.

Slide 4 - Quiz

Een leerling vordert snel in de opleiding en heeft terecht vertrouwen in wat hij kan. De volgende les wil je rijden op de autosnelweg met de rijtaken inhalen, invoegen en uitvoegen. De dag van de les sneeuwt het en is het plaatselijk glad. Wat zal het gevolg voor de leerling zijn als je de les door laat gaan?
A
Hij ervaart wat het is om met slecht weer te rijden.
B
Zijn zelfvertrouwen zal afnemen.
C
Hij zal het autorijden minder leuk gaan vinden.

Slide 5 - Quiz

U gaat met uw leerling voor het eerst de hellingproef oefenen. U geeft daarbij instructies. Wat is nu het best passende lesdoel?
A
De leerling gaat oefenen met het uitvoeren van de hellingproef op een niet al te steile helling.
B
De leerling doet ervaring op met de hellingproef op een geschikte helling.
C
De leerling kan op een niet al te steile helling de hellingproef uitvoeren zonder dat de auto achteruit rolt.

Slide 6 - Quiz

U komt met een leerling die aan het einde van CVS zit in deze situatie welk commentaar geeft u?
A
Pas op de vrachtauto komt naar links.
B
Je mag hier ook links afslaan zie ik.
C
U zegt niets.

Slide 7 - Quiz

De leerling is al een stuk gevorderd in de opleidingsfase van rijden in CVS . De volgende les wilt u de leerling leren rotondes te berijden. Hoe moet de lesopbouw eruit zien waarbij de leerling voldoende kan oefenen en ook gemotiveerd blijft?
A
U kiest drie rotondes die dicht bij elkaar liggen en oefent daar de hele les.
B
U rijdt een route waarbij u verschillende rotondes tegenkomt, van eenvoudig tot complex.
C
U rijdt een route en stopt aan het einde bij een rotonde om een paar keer te oefenen met het rijden op een rotonde.

Slide 8 - Quiz

Stel u rijdt met uw leerling in het achterste voertuig. Plotseling remt de bestuurder van de voorste auto en u moet direct op de rem trappen en de leerling schrikt er erg van.
Wat is didactisch gezien de beste oplossing?
A
U zegt meteen: "Dat is niet slim , je had meteen moeten remmen."
B
U zegt meteen: "Enig idee waarom ik heb moeten remmen?"
C
U zegt op dat moment niets en komt later hierop terug.

Slide 9 - Quiz

Een instructeur bereidt thuis een les voor, voor een leerling die bezig is met rijden in EVS .
Wat is hier van toepassing?
A
De route is te moeilijk.
B
De route is te makkelijk.
C
De route is juist.

Slide 10 - Quiz

Welk onderdeel gaat u als laatste
met uw leerling oefenen?
A
Rotonde.
B
Invoegen.
C
Inhalen.

Slide 11 - Quiz

Een instructeur maakt een strakke lesplanning met daarin verschillende activiteiten. Aangepast per leerling voor wat betreft de snelheid waarmee ze leren. Wat is het meest waarschijnlijke gevolg voor de leerling?
A
De leerling krijgt veel meer leertijd.
B
De leerling leert optimaal.
C
De leerling rijdt beter.

Slide 12 - Quiz

Wat bepaalt in de eerste plaats de keuzes van de didactische werkvormen?
A
De beschikbare tijd.
B
De te behandelen leerstof.
C
De voorkeur van de rijinstructeur.

Slide 13 - Quiz

U wilt in het begin van de rijopleiding het sturen en het gebruik van koppeling en gaspedaal oefenen.
Hoe kunt u hierbij wegversmallingen gebruiken?
A
Laat de leerling vlak voor de versmallingen rechts op de rijbaan stoppen en weer wegrijden.
B
Laat de leerling met een normale snelheid aanrijden en dan het gas minderen.
C
Laat de leerling regelmatig voor de versmallingen rechts op de rijbaan stoppen en weer wegrijden.

Slide 14 - Quiz

Welke van de volgende rijtaken moet u het eerst behandelen in een opleidingsprogramma?
A
Het berijden van enkelvoudige kruispunten.
B
Het kijkgedrag.
C
De technische wijze van wegrijden.

Slide 15 - Quiz

Tijdens de rijles ontdek je dat de leerling niet goed ver kan kijken. Hoe had je dit eerder kunnen vaststellen?
A
De leerling een eigen verklaring in laten vullen.
B
De leerling een autokenteken in de verte laten oplezen.
C
Aan de leerling vragen stellen over zijn gezichtsvermogen.

Slide 16 - Quiz

Je geeft rijles aan een leerling die langzaam leert. Je maakt een programma met kleine leerstapjes. Wat zal het gevolg hiervan zijn?
A
De leerling raakt minder gemotiveerd.
B
De leerling raakt beter gemotiveerd.
C
De leerling voelt zich niet serieus genomen.

Slide 17 - Quiz

Een instructeur maakt aan het einde van zijn lesdag altijd een planning voor de volgende dag. Hij plant ook tijd in om tussen de lessen door zijn leerling-administratie bij te werken, telefoontjes te plegen en te gaan tanken. Wat is het belangrijkste didactische gevolg hiervan?
A
Er gaat minder leertijd verloren tijdens de lessen.
B
De instructeur kan minder verdienen op die dag.
C
De lesplanning loopt door de war.

Slide 18 - Quiz

Welke beginsituatie van de leerling bepaalt de rijinstructeur tijdens zijn lesvoorbereiding?
A
De vereiste beginsituatie.
B
De feitelijke beginsituatie.
C
De cognitieve beginstructuur.

Slide 19 - Quiz

Een leerling zit in de beginfase van EVS.
Je gaat deze leerling een bijzondere manoeuvre aanleren. Wat zal het belangrijkste effect zijn als je veel hetzelfde oefent met de leerling in een verkeerssituatie?
A
De leerling raakt verveeld.
B
De leerling automatiseert de taakuitvoering.
C
De leerling kan de taak ook in nieuwe situaties toepassen.

Slide 20 - Quiz

Hoe kunt u een negatief faalangstige leerling
het best begeleiden?
A
Door de leerling op zijn matige prestaties te wijzen.
B
Door meer leerstof aan te bieden dan gemiddeld.
C
Door de leerling vertrouwen te geven.

Slide 21 - Quiz

Een leerling zit een paar lessen voor zijn praktijkexamen.
Hij rijdt over het algemeen goed, maar moet vooral leren zelfstandig te rijden. Wat kunt u het beste doen om de leerling voldoende uit te dagen?
A
U geeft de leerling enkele aanwijzingen hoe hij naar een bepaald punt moet rijden zoals bijvoorbeeld het gemeentehuis.
B
U laat de leerling kiezen waar hij naar toe rijdt en welke route hij daarbij kiest.
C
U laat de leerling naar een door u gekozen oriëntatiepunt toe rijden.

Slide 22 - Quiz

De leerling nadert een scootmobiel
en reageert agressief .
De instructeur spreekt hem direct hierop aan.
Wat probeert de instructeur zo te bereiken?
A
Voorkomen dat de leerling de scootmobiel aanrijdt.
B
Voorkomen dat de leerling vaker agressief gedrag vertoont.
C
Dat de leerling beter leert te anticiperen.

Slide 23 - Quiz

Je hebt een leerling in de fase van voertuig beheersing. Je wilt het stoppen en weer wegrijden gaan oefenen.
Welk opdracht is het beste?
A
Maak bij een bepaalde snelheid een noodstop.
B
Stop bij de eerstvolgende lantaarnpaal.
C
Stop zo snel mogelijk links van de weg.

Slide 24 - Quiz

Welke fase van de rijopleiding zal bij een gemiddelde leerling de meeste tijd kosten?
A
Complexe verkeerssituaties.
B
Eenvoudige verkeerssituaties.
C
De voertuigbeheersing.

Slide 25 - Quiz

Je rijdt met een leerling in een verkeerssituatie
met wegwerkzaamheden.
Waar valt deze situatie onder?
A
Doelgericht les geven.
B
Anticiperend rijden.
C
Defensief Rijden.

Slide 26 - Quiz

Je rijdt met een leerling naar een erf. Je geeft hem de volgende opdracht: Laat zien dat je zelfstandig de verkeersregels in een erf kunt toepassen.
Dit is een voorbeeld van?
A
Cognitieve doelstelling.
B
Psychomotorische doelstelling.
C
Affectieve doelstelling.

Slide 27 - Quiz

Een instructeur heeft een leerling die de les van vandaag weer niet heeft voorbereid.
Wat kan de instructeur het beste doen?
A
Gewoon doorgaan met een nieuwe les
B
Door vragen stellen en de leerling laten merken dat hij de les had moeten voorbereiden.
C
Teruggaan naar het instructieonderdeel van de vorige les.

Slide 28 - Quiz

De leerling is bijna klaar voor het praktijkexamen, maar op de autosnelweg voegt hij in met het zweet op zijn voorhoofd. In dat geval gaat hij fouten maken. Toch heeft hij meerdere keren laten zien dat hij het wel goed kan als het moeilijk is. Wat is de belangrijkste oorzaak van die fouten?
A
De leerling ziet niet wat hij fout doet bij het invoegen.
B
De leerling moet het invoegen meer automatiseren.
C
De leerling heeft een gebrek aan zelfvertrouwen.

Slide 29 - Quiz

Een instructeur geeft opdrachten die net iets moeilijker zijn dan de leerling aankan.
Hoe noemen wij dit?
A
Lesgeven in de zone van de naaste ontwikkeling.
B
Lesgeven door middel van begeleid zelfstandig leren.
C
Op de leerstijl van de leerling aangepast lesgeven.

Slide 30 - Quiz

Uw leerling zit in de fase van EVS. Leerling overziet verkeerssituaties nog niet goed en maakt daarbij veel fouten. Je plant een route met veel verkeer. Wat zal het gevolg zijn?
A
De leerling raakt mentaal overbelast.
B
De leerling doet een succeservaring op.
C
Het leertempo van de leerling stijgt.

Slide 31 - Quiz

De instructeur wil een leerling aanleren hoe hij recht achteruitrijden langs de trottoirband goed moet uitvoeren. Wat kan hij het beste doen?
A
Minimaal tweemaal direct achter elkaar op dezelfde plaats oefenen.
B
Op twee verschillende plaatsen een keer laten oefenen.
C
Een keer oefenen op een plaats en de volgende les opnieuw.

Slide 32 - Quiz

U wilt met uw leerling het afslaan
op kruispunten oefenen.
Welke van de onderstaande onderdelen moet u aan de leerling uitleggen?
A
Manier van terugschakelen.
B
Stuurtechniek.
C
Voorsorteren.

Slide 33 - Quiz

De instructeur is net op een parkeerplaats aan het vertellen waar de les over zal gaan en op dat moment wordt hij gebeld. Hij herkent het nummer van de rijschool. De rijschool belt alleen als er wijzigingen zijn in de planning.
Wat is praktisch gezien de beste handeling?
A
De telefoon wegdrukken en later terugbellen.
B
Opnemen en de medewerker van de rijschool te woord staan.
C
De telefoon niet opnemen.

Slide 34 - Quiz

De instructeur rijdt met een leerling die net heeft geleerd om zelfstandig te koppelen, schakelen en te sturen.

Wat is didactisch gezien de meest optimale handeling in deze situatie ?

A
De leerling extra ondersteunen bij het verder gaan.
B
De leerling de hardop-denkmethode laten toepassen.
C
De leerling op zijn gemak stellen.

Slide 35 - Quiz

Een instructeur rijdt in een situatie met zijn leerling, in de fase van rijden in CVS. De leerling let niet goed op zijn volgafstand, waardoor hij onnodige fouten maakt. De instructeur weet dat de leerling voldoende zelfvertrouwen heeft. Wat is het meest passende commentaar om de aandacht van de leerling op de verkeerssituatie te richten?

A
U zegt: "Dat is een grote fout, hierop zak je zeker op het examen."
B
Demonstratief hard op de rem trappen.
C
U zegt "Let op, vooruitkijken, dan houd je ruimte om tot stilstand te komen."

Slide 36 - Quiz

Welke volgorde van onderstaande instructieonderdelen is bij een gemiddelde leerling het meest logisch?
A
Bocht achteruitrijden, kruispunten, achteruit parkeren in een parkeervak.
B
Tegenkomen, volgafstand, positie.
C
Hellingproef, achteruit parkeren in een parkeervak tussen lege parkeervakken, achteruit parkeren in een inrit.

Slide 37 - Quiz

De fase van voertuigbediening en voertuigbeheersing is afgesloten. De leerling kan het voertuig zelfstandig bedienen en je plant nu enkele vervolglessen.
Welk lesonderwerp moet als laatste in de opleiding
aan de orde komen?
A
Wegrijden en stoppen.
B
Inhalen.
C
Het berijden van kruispunten.

Slide 38 - Quiz

Hoe houdt u bij de lesvoorbereiding rekening met een leerling die graag zelf verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen leren?
A
U biedt de leerling de lesstof in zijn geheel aan.
B
U daagt de leerling uit door complexe opdrachten te geven.
C
U laat de leerling zelf bepalen wat u in de les gaat behandelen.

Slide 39 - Quiz

Wat is het doel van een lesplan?
A
Om het begingedrag van de leerling vast te stellen.
B
Om niet chaotisch les te geven.
C
Om de vorderingen goed vast te kunnen stellen.

Slide 40 - Quiz

Je geeft aan een gevorderde leerling rijles. Deze leerling pakt alles snel op. Je rijdt vervolgens de autosnelweg op en merkt dat de leerling nerveus wordt als hij de snelweg oprijdt. Hoe kan je didactisch het beste handelen in deze situatie?
A
Je zegt niets.
B
Je begeleidt de leerling volledig.
C
Je bespreekt zijn nervositeit als iets normaals.

Slide 41 - Quiz

Je bent een lesplan aan het voorbereiden.
Wat moet je als eerste bepalen?
A
De beginsituatie.
B
De doelstelling.
C
De evaluatie.

Slide 42 - Quiz

Wat wordt er bedoeld met leeractiviteiten?
A
Wanneer de leerling de leerstof eigen maakt.
B
Wanneer de instructeur de leerling in aanraking brengt met de leerstof.
C
Wanneer de instructeur en de leerling werken aan het bereiken van de leerdoelen.

Slide 43 - Quiz

Een leerling wil na het lessen de auto verlaten maar vraagt op dat moment aan de rijinstructeur, waarvoor het nodig was om het zojuist behandelde onderdeel aan te leren.
Wat heeft de rijinstructeur tijdens de les nagelaten?
A
De feitelijke beginsituatie vast te stellen.
B
Geen praktijk gerichte motivatie gegeven.
C
Doelstelling niet bekend gemaakt.

Slide 44 - Quiz

Wat is de juiste volgorde van de taken van een rijinstructeur bij het aanleren van een onderdeel?
A
Motivator, demonstrator, mentor en corrector.
B
Motivator, demonstrator, corrector en mentor.
C
Demonstrator, motivator, mentor en corrector.

Slide 45 - Quiz

Wat moet een rijinstructeur tijdens de les
zeker niet overslaan?
A
Controle aanvangsniveau.
B
Eindmeting.
C
Samenvatting van de hele les.

Slide 46 - Quiz

Wat moet de rijinstructeur niet doen bij
een oudere leerling?
A
Totaal instructie geven.
B
Feedback geven.
C
Stap voor stap instructie toepassen.

Slide 47 - Quiz

Wat zijn de administratieve gegevens op een instructiekaart?
A
Naam, telefoonnummer, adres.
B
Leerresultaten van de leerling.
C
Vorderingen van de leerling.

Slide 48 - Quiz

De rijinstructeur houdt een intest.
Wat houdt dat in?
A
Vaststellen van de feitelijke beginsituatie van de leerling.
B
Einde opleiding wordt vastgesteld of de leerling examen kan afleggen.
C
Vaststellen hoeveel lessen een leerling exact nodig heeft.

Slide 49 - Quiz

Wat moet u evalueren?
A
Het instructieproces.
B
Of de doelstelling is bereikt.
C
De wijze waarop de doelstelling is bereikt.

Slide 50 - Quiz

Tijdens de uitvoering van een handeling maakt de leerling een fout. De rijinstructeur laat de fout maken en corrigeert de leerling verder niet. De leerling moet zijn fout zelf opsporen en corrigeren. In welke fase bevindt deze les zich?
A
In de instructiefase.
B
In de mentorfase.
C
In de correctorfase.

Slide 51 - Quiz

Welke van de onderstaande instructieonderdelen staan didactisch gezien in de juiste volgorde?
A
Positie, inhalen en tegenkomen.
B
Recht achteruit, bocht achteruit rijden en achteruit parkeren in een vak.
C
Oversteken van kruispunten, links afslaan en rechts afslaan.

Slide 52 - Quiz

Wat moet de rijinstructeur doen als het blijkt dat de leerling niet meer beschikt over de noodzakelijke kennis?
A
Hij gaat door met de nieuwe leerstof, zoals afgesproken met de leerling.
B
Hij zorgt ervoor dat de leerling op het vereiste niveau komt alvorens door te gaan met een nieuwe les.
C
Hij gaat door met de nieuwe les om teleurstelling te voorkomen bij de leerling.

Slide 53 - Quiz

In welke fase van een lesplan wordt de doelstelling bekend gemaakt?
A
Inleiding.
B
Kern.
C
Afsluiting.

Slide 54 - Quiz

In welke fase van een lesplan wordt de
handeling aangeleerd?
A
Inleiding.
B
Kern.
C
Afsluiting.

Slide 55 - Quiz

Waarom laat een rijinstructeur de hardop denk methode toepassen?
A
De instructeur hoort wat de leerling aan het doen is.
B
De instructeur krijgt een indicatie waarmee de leerling zich bezig houdt tijdens de uitvoering.
C
De instructeur kan goed horen of de leerling de handelingsanalyse goed beheerst.

Slide 56 - Quiz

Wat doet de instructeur voordat hij
het lesdoel bekend maakt?
A
Begin situatie vaststellen en het aanvangsniveau bepalen.
B
Beginsituatie vaststellen en de leerstof motiveren.
C
Productevaluatie en een procesevaluatie houden.

Slide 57 - Quiz

Met de omschrijving "alle gegevens die invloed kunnen hebben op het verloop en de resultaten van de cursus" wordt verwezen naar het component?
A
Beginsituatie.
B
Didactische werkvorm.
C
Leeractiviteit.

Slide 58 - Quiz

Een mogelijke aanpak van een onverschillige leerling is?
A
Voortdurend stiptheid te vragen.
B
Vaak belonen bij goed gedrag.
C
Bij fout gedrag onmiddellijk te straffen.

Slide 59 - Quiz

Bij de leerlingen met een cognitief beheersingsniveau is het beter dat de
instructeur deze leerlingen...?
A
Opdrachten geeft waar een beperkt cognitief beheersingsniveau voor vereist is.
B
Bij complexe opdrachten deze splitsen in eenvoudigere deelopdrachten.
C
Alleen maar praktische vaardigheden laten oefenen.

Slide 60 - Quiz