20/5 Skills grammatica 1mh

vrijdag 20/5 skills 1mh
  • vragen in LessonUp beantwoorden
  • uitleg zinsdelen/woordsoorten
  • vragen in LessonUp vervolgen
  • zelfstandig oefenen op Cambiumned.nl 
1 / 40
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

vrijdag 20/5 skills 1mh
  • vragen in LessonUp beantwoorden
  • uitleg zinsdelen/woordsoorten
  • vragen in LessonUp vervolgen
  • zelfstandig oefenen op Cambiumned.nl 

Slide 1 - Slide

Wat is de beste manier om de persoonsvorm te vinden?

Slide 2 - Open question

Welke vraag stel je om het onderwerp te vinden?

Slide 3 - Open question

Welke vraag stel je om het lijdend voorwerp te vinden?

Slide 4 - Open question

Zinsontleding
(= redekundig ontleden)


Woordsoortbenoeming
(= taalkundig ontleden)

Slide 5 - Slide

Grammatica zinsdelen
  • persoonsvorm (pv)-> tijdproef
  • zinsdelen -> woorden voor pv zetten en kijken of je nog een goede zin krijgt
  • werkwoordelijk gezegde (wg)-> alle werkwoorden in de zin
  • onderwerp (ow)-> wie/wat + wwg?
  • lijdend voorwerp (lv)-> wie/wat + wg + ow?

Slide 6 - Slide

Persoonsvorm
De persoonsvorm vind je door het volgende te doen:
  1. Tijdproef: Verander de tijd in de zin (tegenwoordig of verleden). Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
  2. Getalproef: Verander de personen in de zin (enkelvoud of meervoud). Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
  3. (Vraagproef: Bij een enkelvoudige zin (zin met maar 1 persoonsvorm), kun je ook een vraagzin maken. De persoonsvorm komt dan voorop te staan ) 

Slide 7 - Slide

Zinsdelen 
1. Zoek de persoonsvorm en zet er streepjes naast
De leerling / zoekt / vandaag de zinsdelen
2. Alles dat voor de persoonsvorm staat is al een zinsdeel
De leerling / zoekt / vandaag de zinsdelen
3. Probeer de rest voor de persoonsvorm te plaatsen door de zin te veranderen:
- Vandaag / zoekt / de leerling / de zinsdelen
- De zinsdelen / zoekt / de leerling / vandaag

Slide 8 - Slide

H3 Werkwoordelijk gezegde(WG)
  • Het werkwoordelijk gezegde is een zinsdeel. (zet er streepjes omheen)
  • Het werkwoordelijk gezegde = alle werkwoorden in de zin.
  • De persoonsvorm is onderdeel van het werkwoordelijk gezegde.
  • Het werkwoordelijk gezegde zegt wat het onderwerp ‘doet’ of ‘overkomt’.


Slide 9 - Slide

H2 Het onderwerp (ow)
Je kunt het onderwerp vinden door de vraag:
Wie of wat + werkwoordelijk gezegde?
Het antwoord op deze vraag is het onderwerp.

Isha is gisteren tot 11:30 naar school geweest.
Wie is geweest?
Antwoord:

Slide 10 - Slide

Lijdend voorwerp (lv)
Het lijdend voorwerp is een nieuw zinsdeel. 

Het is belangrijk dat je weet dat niet iedere zin een lijdend voorwerp heeft.
Lijdend voorwerp (lv)

Slide 11 - Slide

Hoe vind je het lijdend voorwerp? 
Stel de vraag: wie/wat + wwg + onderwerp? Het antwoord is het lijdend voorwerp. 
Wie of wat
+
wwg
+
lijdend voorwerp
onderwerp
=

Slide 12 - Slide

Woordsoorten

Slide 13 - Slide

Wat is het onderwerp?

Vandaag leer ik het onderwerp te vinden.


A
Ik
B
vandaag
C
het onderwerp
D
vinden

Slide 14 - Quiz

Wat is het onderwerp?

Marina legt het onderwerp uit.
A
Marina
B
legt
C
het onderwerp
D
uit

Slide 15 - Quiz

Wat is het onderwerp?
Als onderwerp kozen ze pooldieren.
A
Onderwerp
B
Pooldieren
C
Kozen
D
Ze

Slide 16 - Quiz

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

Daar help ik de klanten.
A
de klanten
B
help
C
daar
D
ik

Slide 17 - Quiz

Wat is het onderwerp?
Vanavond zal de maan door de bomen schijnen.
A
vanavond
B
de maan
C
de bomen
D
zal schijnen

Slide 18 - Quiz

Wat is het onderwerp en het gezegde?
Na die lange wandeling rustte de verhitte wandelaar uit.
A
die lange wandeling, rustte uit
B
de verhitte wandelaar, rustte
C
de verhitte wandelaar rustte uit
D
de wandelaar, rustte uit

Slide 19 - Quiz

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

Hoe heeft de wind gewaaid?
A
heeft
B
gewaaid
C
heeft gewaaid

Slide 20 - Quiz

Zou Annemarie dat willen doen?
Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
zou
B
zou willen doen
C
Annemarie
D
zou dat willen doen

Slide 21 - Quiz

Wat is het werkwoordelijk gezegde? Hij at een appel op.
A
At
B
Hij
C
At op
D
Een appel

Slide 22 - Quiz

Hij is zijn spullen vergeten.
Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
is
B
is vergeten
C
zijn spullen
D
hij

Slide 23 - Quiz

Ik ben naar school gelopen.

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
ben
B
ben gelopen
C
naar school
D
gelopen

Slide 24 - Quiz

opdracht boekendate
  • In 1 minuut vertellen welk boek je hebt gekozen, waar gaat het over en wat is een spannende gebeurtenis in het boek.
  •  Dan vertelt de ander over zijn/haar boek
  • Na bel een plek doorschuiven (alleen rechterrij, rij bij het raam blijft zitten)
  • Noteer op een blaadje als je een boek (titel + schrijver) bent tegengekomen (min. 3) dat je wel zou willen lezen. Maak hiervan een top 3.

Slide 25 - Slide

Hoofd- en bijpersonen 
  • Een hoofdpersoon herken je door: - wat hij zegt, doet, voelt en denkt.
  • Een bijpersoon herken je door wat hij zegt en doet. 
  • In een verhaal kun je meerdere hoofd- en bijpersonen hebben.

Slide 26 - Slide

Uiterlijke kenmerken

Hoe iemand eruitziet.

Bijvoorbeeld: lang, slank, bruine ogen en blond haar.

Slide 27 - Slide

Karaktereigenschap

Hoe iemand is.

Bijvoorbeeld: vrolijk, slordig, grappig, lui of rustig.

Slide 28 - Slide

6 quizvragen

Slide 29 - Slide

De politie heeft een buurtonderzoek ingesteld. Het onderstreepte zinsdeel is ...
______
A
persoonsvorm
B
geen persoonsvorm

Slide 30 - Quiz

De politie heeft een buurtonderzoek ingesteld.

Het onderstreepte zinsdeel is..
__________

A
persoonsvorm
B
geen persoonsvorm

Slide 31 - Quiz

Alle kinderen vinden de persoonsvorm in deze zin.
De persoonsvorm is:
A
kinderen
B
vinden
C
persoonsvorm
D
deze

Slide 32 - Quiz

Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?

Slide 33 - Open question

Ontleden in zinsdelen betekent...
A
zinsdelen zoeken
B
werkwoorden zoeken
C
kernzinnen zoeken
D
deelonderwerpen zoeken

Slide 34 - Quiz



In welke volgorde moet je redekundig ontleden?
A
pv - zinsdelen - gezegde
B
pv - gezegde - zinsdelen
C
zinsdelen - pv - gezegde
D
pv - zinsdelen - gezegde

Slide 35 - Quiz

Persoonsvorm

Slide 36 - Slide

Let op:
Soms heeft een zin meerdere persoonsvormen. Dat komt omdat een zin uit meerdere zinnen kan bestaan. Voorbeeld: Anna keek de kat uit de boom en aaide hem.

Slide 37 - Slide

Zinsdelen
Een zin is opgebouwd uit zinsdelen. (bouwstenen)
Hoe weet je of je te maken hebt met een zinsdeel?
  • Zoek de persoonsvorm en zet er streepjes omheen
  • Alles wat voor de persoonsvorm staat is een zindeel.
  • Probeer de overige woorden voor de persoonsvorm te zetten. Als je een goede zin krijgt, dan heb je te maken met een zinsdeel.

Slide 38 - Slide

voorbeeld
Op mijn school leren de leerlingen met een laptop.
pv = leren
op mijn school = zinsdeel (staat voor de persoonsvorm)
De leerlingen leren... - dus zinsdeel
met een laptop leren...- dus zinsdeel
Correct:
/Op mijn school/ leren/ de leerlingen/ met een laptop./




Slide 39 - Slide

Pak je leesboek erbij!
Je gaat 10 minuten lezen.

Boek niet bij je? Pak er een uit het kratje. 
timer
10:00

Slide 40 - Slide