• E de hoeveelheid verbruikte elektrische energie in kilowattuur (kWh);
• P het vermogen van het apparaat in kilowatt (kW);
• t de tijd dat het apparaat heeft gewerkt in uur (h).
E=P⋅t
Slide 7 - Slide
Omrekenen
Slide 8 - Slide
Wat is 1 kWh ?
1 kilowattuur is het energieverbruik als een apparaat met een vermogen van 1 kiloWatt 1 uur aanstaat. Dit kost c.a. € 0,31
Een vermogen van 2 kW een half uur kan natuurlijk ook
Slide 9 - Slide
Formules
P = U x I vermogen = spanning x stroom
I = P : U stroom = vermogen : spanning
U = P : I spanning = vermogen : stroom
E = P x t energie = vermogen x tijd
P = E : t vermogen = energie : tijd
t = E : P tijd = energie : vermogen
Slide 10 - Slide
Hoe meet je energiegebruik
energiegebruik van een apparaat hangt af van het vermogen en de tijd dat een apparaat aan staat
een kilowattuurmeter meet de hoeveelheid energie die een apparaat gebruikt
Slide 11 - Slide
Voorbeeld 2
Bereken het maximale vermogen op een groep met een zekering van 16 A.
Slide 12 - Slide
Boven de 3680 W kan de zekering springen, want dan is de stroom groter dan 16 A.
Slide 13 - Slide
Slide 14 - Slide
Rick heeft een elektrische fornuis met vier kookplaten. Twee platen hebben een vermogen van 2000 W, één plaat heeft een vermogen van 1450 W en de laatste een vermogen van 875 W. Bereken het totaal Vermogen van het fornuis.
Slide 15 - Open question
Hoe groot is het vermogen van dit apparaat?
Slide 16 - Open question
Slide 17 - Slide
Slide 18 - Slide
Oefenopgave
Ayse moet een maaltijd een kwartier in de magnetron doen.
a. Bereken hoeveel energie de magnetron van 690 W in die tijd verbruikt in kWh.