Lesdoel: Leerlingen worden zich bewust van het feit dat computers overal om hen heel zijn, als kan je ze niet altijd zien.
Leerlingen weten wat de kenmerken van een computer zijn.
Vraag: Wat is een computer eigenlijk?
Korte discussie met de klas.
Een computer is de combinatie van een apparaat en een instructie (iets wat je zegt wat het apparaat moet doen), die samen een taak uit kunnen voeren. Het is dus niet alleen een computer zoals wij die kennen, een laptop van je moeder of het digibord op school, maar computers zitten in allerlei dingen. Kunnen jullie dingen bedenken waar een computer in zit?
Bespreek een aantal voorbeelden die de kinderen benoemen, en vul aan met eigen voorbeelden, zoals een Robot, een Nintendo Switch en een kassa bij de Albert Heijn. Benoem ook dat er hele grote supercomputers zijn, en hele kleine computers die in het lichaam wordt geplaatst van iemand, bijvoorbeeld om iemands hart wat niet meer goed werkt te helpen.
Wat zijn kenmerken van een computer?
Heeft stroom nodig (eigenlijk technically niet, er waren ook computers die op water liepen bijvoorbeeld, maar tegenwoordig wel). Stroom zorgt dat computers kunnen luisteren en praten. Dat doen ze namelijk met stroom. Zonder stroom werkt een computer dus niet.
Een computer bestaat uit hardware (een apparaatje, soms heel klein), en software (het programma wat de hardware zegt wat hij moet doen.)
Een computer heeft input nodig (iets wat hij van buiten krijgt) en moet output geven. Output kan iets zijn wat hij doet, maar ook een plaatje, of een tekst op een beeldscherm.
Een computer doet niet elke keer hetzelfde, hij heeft regels die zeggen wat hij moet doen in verschillende situaties. Een kassacomputer bij de Albert Heijn kan bijvoorbeeld kijken welk product je hebt gekocht, en daar de prijs van opzoeken, maar hij kan ook berekenen wat je moet betalen en, als je dan betaalt met een pinpas, je betaling verwerken.
Een computer zit soms goed verstopt in een apparaat, terwijl het apparaat eigenlijk niet werkt zonder de computer. Ga één voor één de voorbeelden in de slide langs (geanimeerde slide) en bespreek (met bijvoorbeeld handen omhoog, handen omlaag of beter nog, staan en zitten): zit hier een computer in?
In sommige dingen zit geen computer, maar heeft wel versies waarin wel een computer zitten, zoals een lamp, en een kraan. Kunnen de leerlingen die bedenken?