Effectieve mondelinge overdracht in de zorg

Effectieve mondelinge overdracht in de zorg

1 / 12
next
Slide 1: Slide
New lesson editorVerzorgingPrimary EducationSecondary EducationTertiary Education

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Effectieve mondelinge overdracht in de zorg

Leerdoel van deze les

Aan het einde van deze les kun je uitleggen wat overdracht is, hoe mondelinge overdracht werkt (met en zonder SBAR), en benoem je factoren die het overdrachtsproces kunnen verstoren en om de mondelinge overdracht te verbeteren.

Wat is overdracht?

Overdracht is het overdragen van informatie, taken of verantwoordelijkheid van de ene zorgverlener aan de ander.

Dit gebeurt vaak bij dienstwisselingen of overplaatsingen.

Waarom is goede overdracht belangrijk?

Een duidelijke overdracht voorkomt fouten, verhoogt de patiëntveiligheid en zorgt voor een goeie continuïteit van de zorg.


SBAR zorgt voor gestructureerde, complete en efficiënte overdracht.

Het voorkomt misverstanden en verkleint de kans op fouten.

Mondelinge overdracht

Bij mondelinge overdracht wordt informatie direct uitgewisseld tussen zorgverleners.

Dit kan efficiënt zijn, maar is afhankelijk van heldere en gestructureerde communicatie, bijvoorbeeld als je duidelijk en rustig praat, en afkortingen vermijden.


Tips voor een goede overdracht

Wees concreet: Baseer beslissingen zoveel mogelijk op objectieve data.

Houd het gescheiden: Geef in een overdracht duidelijk aan wanneer je iemands persoonlijke mening (subjectief) deelt in plaats van een vaststaand feit (objectief).

Storing bij mondelinge overdracht

Storingen zoals geluid, onderbrekingen, of onduidelijke taal kunnen de kwaliteit van de overdracht aantasten.

Wees alert op deze factoren.

Structuur volgens SBAR



A – Assessment

geef je beoordeling van de situatie .


R-Recommendation

geef je aanbeveling voor vervolgzorg.



S – Situatie

beschrijf de huidige situatie van de patiënt .


B – Background

beschrijf de relevante achtergrond informatie van de patiënt.

Reflectie: jouw ervaring met overdracht

Denk terug aan een situatie waarin je mondelinge overdracht kreeg of gaf. Wat ging goed, wat kon beter en wat neem je hiervan mee?





casus

 De heer appel

Opname en achtergrond
De heer De appel is een 72-jarige man die gisterenochtend is opgenomen op de afdeling Neurologie met een ischemisch CVA .
Hij heeft een bekende medische voorgeschiedenis van hypertensie en diabetes mellitus type 2.
Thuis gebruikt hij  perindopril en metformine.
Gisteren vertoonde hij bij opname een lichte rechterzijdige hemiparese en een milde woordvindstoornis (afasie), maar hij was stabiel en helder aanspreekbaar.

De huidige situatie
Het is nu 15:15 uur en de avond-dienst is net begonnen.
 Tijdens de ronde van 15:00 uur merkte de verpleegkundige een duidelijke verandering op.
De heer appel  reageert trager op aanspreken en klaagt over hoofdpijn.

Klinische observaties en metingen (Assessment)
Bij het neurologisch onderzoek valt op dat de krachtsvermindering in zijn rechterarm en rechterbeen is toegenomen; hij kan zijn rechterarm nu nauwelijks nog tegen de zwaartekracht in heffen (krachtgraad MRC 2).
De woordvindstoornis is verergerd tot een duidelijke  afasie waarbij hij nauwelijks nog uit zijn woorden komt.

De vitale functies zijn direct gecontroleerd:

  • Bloeddruk: 185/95 mmHg (duidelijk verhoogd ten opzichte van zijn stabiele trend van 140/80 mmHg eerder die dag).

  • Hartslag: 60 slagen per minuut (sinusritme ).

  • EMV-score: E4 M6 V4 (Totaal: 14, gedaald vanwege de spraak).

  • Pupillen: Isocoor , maar reageren iets trager op licht dan bij vanmorgen.

  • Saturatie: 96% bij kamerlucht.

  • Temperatuur: 37,1 °C.

Beleid en afspraken
Vanwege de acute neurologische verslechteringis de arts-assistent neurologie direct gebeld.
Er moet met spoed een  CT-scan (hersenen)  worden gedaan .
Voor nu mag de patiënt  niets eten of drinken .
De bloeddruk + neuro controles moet elke 15 minuten gecontroleerd worden.

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.