M&A beperkingen

Les: Mens en activiteit



1 / 52
next
Slide 1: Slide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 52 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

Les: Mens en activiteit



Slide 1 - Slide

Door welk reflex kan de baby meteen melk drinken?
A
Zuigreflex
B
Zoekreflex
C
Slikreflex
D
Loopreflex

Slide 2 - Quiz

Bij welke reflex draait de baby z'n mond naar je toe?
timer
0:30
A
Grijpreflex
B
Zoekreflex
C
Zuigreflex
D
Schrikreflex

Slide 3 - Quiz

Voorbereiding activiteit:
Waar moet je allemaal over nadenken bij de voorbereiding van een activiteit?

Slide 4 - Slide

Activiteit kiezen:
Belangrijk de 5w's:
wie, wat, waar, wanneer, waarom.
Invullen van een activiteitenvoorbereidingsformulier.

Slide 5 - Slide

Brainstorming:
Wat is een opdrachtgever?
Wat is brainstorming?
Waar moet je dan over nadenken?
Woordspin.

Slide 6 - Slide

Doelgroepen:
Wie is je doelgroep?
Waar moet je dan over nadenken?

Slide 7 - Slide

Wat is een handicap?
  • Een handicap is een beperking waardoor je belemmerd wordt in je functioneren. 
  • Een handicap kan aangeboren zijn, maar kan ook later nog ontstaan door een ziekte of een ongeval. Dit noem je een verworven handicap.
  • Een handicap kan ook ontstaan, door een afwijking in het erfelijk materiaal. (genen)

Slide 8 - Slide

Soorten beperkingen (handicap)
  • Lichamelijke beperking 
  • Verstandelijke beperking (geestelijke beperking)
  • sociale beperking (autisme,
  • chronische beperking ( diabetes, reuma, kanker etc.)
  • zintuigelijke beperking ( doof, blind etc.)

Slide 9 - Slide

Lichamelijke beperking
Motorisch gehandicapt
Iemand met een motorische handicap kan zijn lichaam niet goed gebruiken. Hij/zij kan bijvoorbeeld de armen of benen niet goed bewegen.

Verschillende oorzaken: 
Je kan een ziekte in je spieren of zenuwen hebben of later krijgen. (verworven handicap)
Een ongeluk kan een beschadiging veroorzaken. (verworven handicap)
Er kan iets misgaan tijdens de zwangerschap of bevalling.

Voorbeelden motorische handicap: Spastisch, verlamming of reuma.





Slide 10 - Slide

Lichamelijke beperking
Zintuigelijk gehandicapt: kan je niet goed zien of horen.



Auditief gehandicapt: Slechthorend of doof
Visueel gehandicapt: Slechtziend of blind

Verschillende oorzaken: Geboren worden met een zintuigelijke beperking, erfelijk, ontsteking/infectie, hard lawaai of ouderdom

Slide 11 - Slide

Wat moet een gemiddelde IQ zijn?
A
Boven de 130
B
Tussen de 90 en 110
C
Tussen de 80 en 85

Slide 12 - Quiz

Verstandelijke beperking
Iemand met een verstandelijke handicap heeft moeite met het begrijpen van bepaalde zaken.  Dit komt door een ontwikkelingsstoornis: De ontwikkeling van de hersenen gaan langzamer dan bij leeftijdsgenoten.

  •  Kan vaak niet goed leren rekenen en lezen.
  •  Ondersteuning nodig bij het wonen, op school en het contact met andere mensen, omdat hij of zij geen verantwoordelijkheden kan gaan dragen. 

Oorzaken verstandelijke beperking: Aangeboren, zuurstof te kort tijdens een bevalling of kan later optreden door een ongeluk

Slide 13 - Slide

Verschillende soorten verstandelijke handicaps
Het niveau kan verschillen:
Lichte verstandelijke beperking:
- Verstandelijk niveau en ontwikkelingsleeftijd van een twaalfjarige bereiken.
- IQ tussen de 50-70
- Moeite met het begrijpen  van  sociale en praktische vaardigheden.
- Hulp nodig bij het oplossen van sociale problemen en/of  hulp nodig bij persoonlijke verzorging

Matige verstandelijke beperking:
- Verstandelijk niveau en ontwikkelingsleeftijd van een zevenjarige bereiken.
-  IQ tussen de 35-50
-  Meer hulp en begeleiding nodig bij: persoonlijke verzorging, het uitvoeren van huishoudelijke taken, contact maken met andere mensen
- Kunnen moeilijker een relatie aangaan dan licht verstandelijke beperkte.


Slide 14 - Slide

Ernstig verstandelijke beperking:
- Verstandelijk niveau en ontwikkelingsleeftijd van een driejarige bereiken.
- IQ tussen de 20/35, bij zeer ernstige verstandelijke beperkte / IQ onder de 20
-  Kunnen niet zelfstandig leven.
-  Praten in korte zinnen en herhalen dat steeds of praten niet.
- Geen besef van de tijd en wereld om hen heen.

Slide 15 - Slide

Verstandelijke beperking

Slide 16 - Slide

Sociale beperking
Mensen met een sociale beperking functioneren in een groepsverbanden niet volgens de 'normale manier' en worden daarom als 'anders' ervaren door de buitenwereld.
Iemand met een sociale beperking kan erg moeilijk contact maken met anderen.

Oorzaak: Erfelijkheid

Voorbeelden sociale beperking: Autisme, een vorm van autisme PDD NOS, extreme verlegenheid.


Slide 17 - Slide

Slide 18 - Video

Meervoudig gehandicapt
- Als iemand meer dan 1 handicap tegelijk heeft, noemen we deze persoon meervoudig gehandicapt.
- Vaak is dit naast een verstandelijke beperking ook lichamelijke beperkingen.
 

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video

WELKOM!!

Slide 21 - Slide

Planning
1e lesuur 
- Herkansen telefoongesprekken
- Inhalen schoonmaken
- Zelfstandig leren notities
2e lesuur
- Verder met klein stukje theorie
- Quiz/oefentoets 
- Bespreken planning

Slide 22 - Slide

Dagbesteding bestaat uit verschillende activiteiten die overdag uitgevoerd worden door een bepaalde doelgroep.
- De activiteiten worden uitgevoerd onder begeleiding van verschillende woonbegeleiders en professionals.

Slide 23 - Slide

Het doel van dagbesteding
  • Om meer structuur en invulling aan te brengen in de dag.
  • Om bezig te zijn met activiteiten die niet alleen gezellig zijn, maar ook zinvol zijn!
  • Plezier hebben
  • De mantelzorger te ontlasten.
  • Opbouwen en onderhouden van sociale contacten.


Slide 24 - Slide

Wat betekent belevingsgerichte activiteiten?
A
Activiteiten die aansluiten bij de belevingswereld en gevoelens van iemand.
B
De beleving en de behoefte van een cliënt staan centraal.
C
Om bepaalde zintuigen te prikkelen (snoezelruimte)

Slide 25 - Quiz

Stap 1
Stap 2
Stap 3
Stap 4
Stap 5
Brainstormen
Voorbereiden
Uitvoeren
Afronden
Evalueren

Slide 26 - Drag question

Activiteiten evalueren

Slide 27 - Slide

Evalueren 

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Video

Wat is feedback?

Slide 30 - Slide

Wat hoort niet bij een informeel gesprek?
A
Je spreekt elkaar aan met je of jij
B
Het is een spontaan gesprek
C
Er is van te voren een duidelijk gespreksonderwerp
D
Je had van tevoren geen plek afgesproken

Slide 31 - Quiz

Wat is een voorbeeld van een formeel gesprek
A
Telefoongesprek met je moeder
B
Intakegesprek voor het MBO
C
Chatten met vrienden

Slide 32 - Quiz

Wat is communicatie?
A
Het overdragen van informatie
B
Het uitwisselen van infromatie
C
Kunnen zeggen wat je wil
D
Het ontvangen van de informatie

Slide 33 - Quiz

Wat is het doel van een draaiboek?
A
Duidelijk overzicht van wie wat doet en waar, hoe en wanneer
B
Wie er allemaal betaald moeten worden
C
Wie er die dag aanwezig zijn
D
Wie er mee eten

Slide 34 - Quiz

Wat doet een activiteitenbegeleider?
A
Begeleiden van een vergadering
B
Begeleiden van een operatie
C
Begeleiden en bedenken van leuke activiteiten om te doen met mensen
D
Begeleiden van ouderen tijdens de zorg

Slide 35 - Quiz

Wat is feedback?
A
Commentaar
B
Een top en een tip
C
Alleen zeggen dat het fout is
D
Gedag zeggen

Slide 36 - Quiz

In de kinderopvang wordt soms gewerkt met horizontale groepen, dit zijn:
A
Groepen kinderen uit dezelfde woonplaats
B
Groepen kinderen van dezelfde school
C
Groepen kinderen van dezelfde leeftijd
D
Groepen kinderen met hetzelfde ontwikkelingsniveau

Slide 37 - Quiz

Als ik actief luister dan...
A
Kijk ik de ander aan
B
Doe ik twee dingen tegelijker tijd
C
Maak ik ondertussen notities
D
Luist ik alleen maar

Slide 38 - Quiz

In deze groep zitten kinderen (5 t/m 10 jaar) die een lichamelijke beperking hebben.
A
Verticaal/ Homogene groep
B
Verticaal/ Heterogene groep
C
Horizontaal/heterogene groep
D
Horizontaal/ Homogene groep

Slide 39 - Quiz


A
grove motoriek
B
fijne motoriek

Slide 40 - Quiz

Voor wie is dagbesteding niet bedoeld?
A
ouderen met een beperking
B
schoolgaande kinderen
C
gehandicapte mensen die niet kunnen werken of naar school gaan
D
jongeren met een geestelijke handicap

Slide 41 - Quiz


A
grove motoriek
B
fijne motoriek

Slide 42 - Quiz

De cognitieve ontwikkeling is de ontwikkeling van het gedrag. Het hoort bij de geestelijke ontwikkeling
Dit is juist
Dit is onjuist

Slide 43 - Poll

een peuter is...
A
0 - 1 jaar oud
B
2 - 4 jaar oud
C
4 - 6 jaar oud

Slide 44 - Quiz

Sleep de juiste woorden. 
 Kies uit: dreumes / kleuter / peuter


DREUMES
PEUTER
KLEUTER
Een kind van 5 jaar oud noem je een
 Een kind van 3 jaar oud noem je een
 Een kind van 1,5 jaar oud noem je een

Slide 45 - Drag question

Bij welke ontwikkeling hoort het achteruit gaan van zintuigen.
A
Lichamelijke ontwikkeling
B
geestelijke ontwikkeling
C
Motorische ontwikkeling
D
Sociale ontwikkeling

Slide 46 - Quiz

Hoe stimuleer je de zelfredzaamheid van ouderen?
A
Door de juiste hulpmiddelen aan te bieden.
B
Door ouderen te stimuleren tempo te maken.
C
Door eenvoudige taal te gebruiken.
D
Door ouderen weinig hulp aan te bieden.

Slide 47 - Quiz

Welk begrip past bij de omschrijving: ‘Mensen kunnen zichzelf redden, voor zichzelf zorgen.’?
A
Eigenwaarde
B
Motivatie
C
Zelfregie
D
Zelfredzaam

Slide 48 - Quiz

Wat is een cognitief kenmerk van een schoolkind
A
Prestatiegericht
B
Zeer fantasierijk
C
Faalangstig
D
Inlevingsvermogen

Slide 49 - Quiz

Vriendjes worden in de fase van schoolkind steeds belangrijker. Dit hoort bij..
A
Sociale ontwikkeling
B
Lichamelijke ontwikkeling
C
Geestelijke ontwikkeling

Slide 50 - Quiz

Wat is een doelgroep?
A
Een doelgroep is een groep mensen waar je je activiteit op richt.
B
Een doelgroep is een groep mensen die iets met elkaar gemeen hebben.
C
Een doelgroep is een groep mensen die samen activiteiten ondernemen.
D
Een doelgroep is een groep mensen die allemaal hetzelfde willen.

Slide 51 - Quiz

Piet gaat naar het kinderdagverblijf. De kinderen worden opgesplitst in leeftijd. Piet zit in een groep met jongens en met meisjes. Piet zit in een...
A
homogene en verticale groep
B
heterogene en horizontale groep
C
heterogene en verticale groep
D
homogene en horizontale groep

Slide 52 - Quiz