ORGANISME · UITSCHEIDING
Examentraining
Uitscheiding en homeostase: zo pak je examenvragen aan
ORGANISME · UITSCHEIDING
Examentraining
Uitscheiding en homeostase: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Denis Barthel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
ORGANISME · UITSCHEIDING
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over uitscheiding, de nier en regelkringen beantwoorden met de juiste begrippen.
This item has no instructions
ORGANISME · UITSCHEIDING
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven, een tabel, een schema of een situatie? Onderstreep de stof en het orgaan.
2. Zoek: welk proces hoort erbij: ultrafiltratie, terugresorptie, ADH of een regelkring?
3. Redeneer: volg de stof of het signaal stap voor stap door het schema.
4. Schrijf: gebruik de vaktaal en let op het examenwerkwoord: noemen, uitleggen of verklaren.
This item has no instructions
ORGANISME · UITSCHEIDING
Vraagtype 1: een tabel lezen
In de tabel staan concentraties van stoffen in bloedplasma, voorurine en urine.
Staat een stof wel in het plasma maar niet in de voorurine? Dan is de stof niet gefilterd bij de ultrafiltratie.
Staat een stof wel in de voorurine maar niet in de urine? Dan is de stof teruggeresorbeerd.
Is de concentratie in de urine veel hoger dan in de voorurine? Dan is vooral water teruggeresorbeerd.
Reken met de getallen uit de tabel: deel de ene concentratie door de andere.
Syllabus O1.5 punt 3 en vaardigheid A8: gegevens uit tabellen. De getallen in de tabel zijn afgeronde, verzonnen waarden die kloppen met het verloop in de nier.
Waarom staat er geen eiwit in de voorurine?
Eiwitten worden in het nierbuisje teruggeresorbeerd
Eiwitten worden in de lever omgezet tot ureum
Eiwitten worden door ADH tegengehouden
Eiwitten zijn te groot voor de ultrafiltratie
Eiwit zit wel in het plasma (70) maar niet in de voorurine (0): het wordt niet gefilterd omdat het te groot is. Verwachte fout: terugresorptie kiezen, maar dan zou eiwit eerst in de voorurine moeten staan. Image credit: Eigen tabel voor Examenstof, afgeronde fictieve waarden
Ureum: 0,3 g/L in voorurine, 30 g/L in urine. Hoeveel keer zo hoog?
10 keer
100 keer
30 keer
300 keer
30 : 0,3 = 100. Dit komt doordat veel water wordt teruggeresorbeerd en ureum grotendeels achterblijft. Verwachte fout: 30 keer, door alleen 30 te noemen.
ORGANISME · UITSCHEIDING
Vraagtype 2: een regelkring in een schema
Zoek eerst de verstoring: welke waarde wijkt af, en in welke richting?
Volg de pijlen: receptor, regelcentrum, effector. Wie meet, wie vergelijkt, wie corrigeert?
Werkt de reactie de verandering tegen? Dan is het negatieve terugkoppeling. Versterkt ze de verandering? Dan is het positieve terugkoppeling.
Noem bij 'verklaar' ook het gevolg: de waarde keert terug naar de normwaarde.
Syllabus O2.1 punt 3 en 4, vaardigheid A7 en A14: regelkringen in schema's lezen. In het schema ontbreken de rolnamen met opzet: leerlingen moeten zelf bepalen welk vak receptor, regelcentrum of effector is.
Welk onderdeel van het schema is het regelcentrum?
Hersenen
Zweetklieren en bloedvaten in de huid
Receptoren in huid en hersenen
Lichaamstemperatuur
De hersenen vergelijken de gemeten temperatuur met de normwaarde. Verwachte fout: de receptoren kiezen omdat ze ook in de hersenen liggen. Receptoren meten alleen. Image credit: Eigen tekening voor Examenstof
Welke terugkoppeling is dit, en waarom?
Positief, want de afwijking wordt tegengewerkt
Negatief, want de afwijking wordt versterkt
Negatief, want de afwijking wordt tegengewerkt
Positief, want de afwijking wordt versterkt
De temperatuur stijgt en door zweet en wijde bloedvaten daalt ze weer: de afwijking wordt tegengewerkt, dus negatieve terugkoppeling. Verwachte fout: positief kiezen omdat de temperatuur eerst stijgt. Image credit: Eigen tekening voor Examenstof
ORGANISME · UITSCHEIDING
Vraagtype 3: bouw en functie van de nier
Leg een bouwkenmerk uit via wat het onderdeel doet.
Glomerulus: hoge druk door een wijd toevoerend en een nauw afvoerend vat, dus ultrafiltratie.
Nierbuisje: een lange buis omringd door haarvaten, dus stoffen kunnen terug naar het bloed.
Schrijf het als: doordat (bouw), kan (functie).
Syllabus O1.5 punt 2 en O2.1 punt 2: relatie tussen bouw en functie, vaardigheid A11 (vorm-functiedenken). Examenwerkwoord 'verklaar' vraagt om een oorzaak en een gevolg.
Waardoor is de druk in de glomerulus hoog?
Het afvoerende vat is wijder dan het toevoerende vat
Het toevoerende vat is wijder dan het afvoerende vat
De glomerulus ligt in het niermerg, ver van de schors
Het kapsel van Bowman zuigt de vloeistof naar zich toe
Er komt meer bloed binnen dan er kan wegstromen, dus de druk loopt op. Verwachte fout: de twee vaten omdraaien.
Waarom heeft het nierbuisje veel haarvaten?
Goed antwoord: de haarvaten voeren de teruggeresorbeerde stoffen, zoals glucose, water en zouten, weer af naar het bloed. Verwachte fout: zeggen dat de haarvaten de urine vormen of filteren.
ORGANISME · UITSCHEIDING
Vraagtype 4: verklaren met ADH en water
Beschrijf eerst de situatie: veel zweten, veel drinken of zout eten.
Bepaal of het bloed geconcentreerder of minder geconcentreerd wordt.
Koppel daaraan de ADH-afgifte en de terugresorptie van water in de nierbuisjes.
Sluit af met de urine: weinig en geconcentreerd, of veel en waterig.
Syllabus O1.5 punt 3 en O2.1: waterhuishouding, ADH, regelkring. Laat leerlingen de redenering in vier stappen opschrijven: situatie, bloedconcentratie, ADH, urine.
Wat is de effector in dit schema?
De receptoren in de hersenen
Het bloed dat te geconcentreerd is
De urineblaas die de urine bewaart
De nierbuisjes
De nierbuisjes voeren de correctie uit door meer water terug te nemen. Verwachte fout: de hypofyse kiezen omdat zij het hormoon afgeeft; zij zorgt voor het signaal, de nierbuisjes voeren uit. Image credit: Eigen tekening voor Examenstof
Waarom is je urine na zweten geconcentreerd?
Goed antwoord: door het zweten verlies je water, het bloed wordt geconcentreerder, de hypofyse geeft meer ADH af, de nierbuisjes nemen meer water terug, dus weinig, geconcentreerde urine. Verwachte fout: alleen zeggen dat je minder drinkt, zonder ADH en terugresorptie.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een tabel met plasma en urine lezen
Een regelkring in een schema lezen
Bouw en functie van de nier uitleggen
Verklaren met ADH en water
Bespreek het vraagtype dat de meeste stemmen krijgt kort na met een voorbeeld.
ORGANISME · UITSCHEIDING
Tips voor op het examen
Gebruik de vaktaal: ultrafiltratie voor het filteren, terugresorptie voor het terugnemen.
Bij een tabel vergelijk je steeds plasma, voorurine en urine van dezelfde stof.
Bij een regelkring noem je receptor, regelcentrum en effector en zeg je of de terugkoppeling negatief of positief is.
Bij 'verklaar' geef je een oorzaak en een gevolg: eerst wat er verandert, dan wat het lichaam doet.
This item has no instructions