weer en klimaat H1 par 1,2 beetje 3

Weer en klimaat H1 par 1, 2 beetje 3
1 / 34
next
Slide 1: Slide
AardrijkskundeVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 15 min
Report this lesson

Items in this lesson

Weer en klimaat H1 par 1, 2 beetje 3

Slide 1 - Slide

Wat is een verschil tussen weer en klimaat?
A
weer gaat over neerslag en klimaat niet
B
klimaat gaat over kleiner gebied
C
weer is de gemiddelde toestand van de lucht
D
periode van meten

Slide 2 - Quiz

temperatuur, neerslag, luchtdruk wind, bewolkingsgraad dit zijn:
A
weerelementen
B
klimaatelementen
C
weer- en klimaatelementen

Slide 3 - Quiz

Wind van zee brengt in de zomer verkoeling
A
juist
B
onjuist

Slide 4 - Quiz

Amsterdam en Berlijn liggen even ver van de evenaar af. In de Berlijn is de temperatuur in de zomer gemiddeld...
A
hoger
B
lager
C
kun je niet weten

Slide 5 - Quiz

Amsterdam en Berlijn liggen even ver van de evenaar af. In de Berlijn is de temperatuur in de winter gemiddeld...
A
hoger
B
lager
C
kun je niet weten

Slide 6 - Quiz

Oosten wind geeft in de winter in Nederland meestal
A
koud weer
B
warmer weer
C
kun je niet weten

Slide 7 - Quiz

Wind uit het noorden geeft in de winter in Nederland meestal
A
kouder weer
B
warmer weer
C
kun je niks van zeggen

Slide 8 - Quiz

In een klimaatdiagram worden weergegeven:
A
De gemiddelde temperatuur en de gemiddelde hoeveelhoed neerslag
B
De windsnelheid en de wind richting
C
temperatuur, neerslag, luchtdruk, wind, en bewolkingsgraad

Slide 9 - Quiz

In Berlijn is het gemiddeld in de zomer warmer en in de winter kouder dan in Amsterdam. Dit komt door:
A
De afstand van de evenaar
B
De afstand van de zee

Slide 10 - Quiz

De uv-straling is meestal hoger in de..
A
winter
B
zomer
C
altijd ongeveer even hoog

Slide 11 - Quiz

Bij bewolkt weer in de winter is de UV -straling
A
vrij laag
B
vrij hoog

Slide 12 - Quiz

Hoe hoger de op de berg hoe...
A
kouder
B
warmer
C
geen verschil

Slide 13 - Quiz

Welke oorspronkelijke plantengroei is beter bestand tegen de kou?
A
loofbomen
B
naaldbomen

Slide 14 - Quiz

In het dal is het 15 graden. Ik ga de berg beklimmen. Op welke hoogte is het 0 graden?
A
1200 meter
B
1500 meter
C
2000 meter
D
2500 meter

Slide 15 - Quiz

Breedteligging is de afstand tot de evenaar
A
juist
B
onjuist

Slide 16 - Quiz

1 Bij de evenaar spreekt men van lage breedte 2 bij de zuidpool van hoge breedte
A
beide beweringen zijn fout
B
beide beweringen zijn goed
C
bewering 1 is goed bewering 2 is fout
D
bewering 1 is fout bewering 2 is goed

Slide 17 - Quiz

Op hoge breedte heb je hoge temperaturen. Deze bewering is..
A
goed
B
fout

Slide 18 - Quiz

Op het noordelijk
halfrond is het hier
A
zomer
B
winter

Slide 19 - Quiz

Seizoenen ontstaan omdat:
A
De aarde om de zon draait en de aardas schuin staat
B
De zon om de aarde draait en de aardas schuin is
C
De aarde om zijn as draait, die schuin staat

Slide 20 - Quiz

Wind stroomt van
A
H naar L
B
Van L naar H

Slide 21 - Quiz

wind ontstaat door:
A
Luchtdrukverschillen
B
Neerslag verschillen

Slide 22 - Quiz

Luchtdrukverschillen ontstaan door:
A
verschil in neerslag
B
De afstand van de zee
C
temperatuurverschillen

Slide 23 - Quiz

De luchtstreken is een
indeling over de
A
de neerslag
B
de temperatuur
C
De neerslag en de temperatuur

Slide 24 - Quiz

Wat is de juiste volgorde van de luchtstreken (vanaf de evenaar)
A
tropen, polenstreken, gematigde zone
B
tropen, gematigde zone, weer tropen
C
poolstreken, tropen
D
tropen, gematigde zone, poolstreken

Slide 25 - Quiz


A
Tropisch klimaat
B
Droog klimaat
C
Gematigd klimaat
D
Droog klimaat

Slide 26 - Quiz


A
Tropisch klimaat
B
Droog klimaat
C
Gematigd klimaat
D
Pool klimaat

Slide 27 - Quiz


A
Tropisch klimaat
B
Pool klimaat
C
Gematigd klimaat
D
Droog klimaat

Slide 28 - Quiz

Isothermen zijn lijnen die plaatsen van gelijke temperatuur met elkaar verbindt
A
juist
B
onjuist

Slide 29 - Quiz

Isobaren zijn lijnen die plaatsen met gelijke luchtdruk met elkaar verbindt
A
juist
B
onjuist

Slide 30 - Quiz

Warme lucht stijgt
A
juist
B
onjuist

Slide 31 - Quiz

1 De meeste neerslag valt aan de lijzijde van een berg
2 De regenschaduw bevindt zich aan de lijzijde
A
1 juist 2 onjuist
B
beide juist
C
beide onjuist
D
1 onjuist 2 juist

Slide 32 - Quiz

Luchtdruk meet je met een barometer

A
juist
B
onjuist

Slide 33 - Quiz

1019 hPa
1019 mb
A
Dit is lage luchtdruk
B
Dit is hoge luchtdruk

Slide 34 - Quiz