H2 taalverzorging H7

H2 taalverzorging H7
1 / 35
next
Slide 1: Slide
Other languagesSecondary Education

This lesson contains 35 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

H2 taalverzorging H7

Slide 1 - Slide

deze les
lezen
kalender
hoofd- en bijzin


Slide 2 - Slide

lezen


Slide 3 - Slide

kalender 
carnivoor

carne = 

Slide 4 - Slide

hoofd- en bijzin
Uitleg 
Ik ga naar school, omdat ik leerplichtig ben
Hoofdzin: kan zelfstandig staan
→ Ik ga naar school.
Bijzin: kan niet zelfstandig staan, begint vaak met een voegwoord
→ omdat ik leerplichtig ben.

Slide 5 - Slide

hoofd- en bijzin
voegwoorden:
nevenschikkend (HZ + HZ) en, maar, want, of

onderschikkend (HZ + BZ) omdat, terwijl, als, dat, hoewel, toen, voordat, of...




Slide 6 - Slide

oefenen
Ik ga naar huis, want ik ben moe.
We wilden gaan zwemmen, maar het regende.
Kom je mee, of blijf je thuis?
Ze had geen zin, dus bleef ze binnen.
Hij zegt dat hij morgen komt.
Hoewel ze moe was, ging ze toch sporten.
We gingen naar binnen toen het begon te stormen.
Hij maakt zijn huiswerk en luistert naar muziek.

Slide 7 - Slide

hoofd- en bijzin

Oefening
Gebruik het woord omdat en maak een zin met een hoofdzin + bijzin.


Slide 8 - Slide

hoofd- en bijzin

Huiswerk: maak opdracht 4 en 5 van hoofdstuk 7


Slide 9 - Slide

koppelwerkwoorden
🎯 Leerdoel

Je kunt herkennen wat een koppelwerkwoord is en het verschil zien met een gewoon werkwoord.

Slide 10 - Slide

koppelwerkwoorden
Een zelfstandig werkwoord geeft aan wat iemand doet.

Jan heeft een appel gegeten.

Jan is naar huis gelopen.
Een werkwoordelijk gezegde heeft altijd een zelfstandig werkwoord.

Slide 11 - Slide

koppelwerkwoorden
Er zijn ook zinnen waar geen zelfstandig werkwoord in zit:

Ik ben ziek.
Ik word leraar.
Ik was gisteren niet aanwezig.

De dikgedrukt woorden zijn koppelwerkwoorden. Wat zijn dat?

Slide 12 - Slide

koppelwerkwoorden
Wat is een koppelwerkwoord?

Een koppelwerkwoord koppelt het onderwerp aan een eigenschap of toestand.

Het zegt niet wat iemand doet, maar wat iemand is of wordt.

Slide 13 - Slide

koppelwerkwoorden
zijn
worden
a
blijven
blijken
e
lijken
schijnen                                                                   ZWABBELS

Slide 14 - Slide

koppelwerkwoorden

a. Hij is boos → ___
b. Zij loopt snel → ___
c. Het eten wordt koud → ___
d. Ik schrijf een brief → ___

Slide 15 - Slide

koppelwerkwoorden
Hebben we hier te maken met koppelwerkwoorden of niet?



Ik ben gevallen.
Zij is verhuisd naar Duitsland.
Wij zijn aangekomen op het station.

Slide 16 - Slide

Deze les
Lezen
kalender
koppelwerkwoorden
nakijken huiswerk
spelling werkwoorden

Slide 17 - Slide

kalender
carnivoor

carne = 


Slide 18 - Slide

koppelwerkwoorden
zijn
worden
a
blijven
blijken
e
lijken
schijnen                                                                   ZWABBELS

Slide 19 - Slide

koppelwerkwoorden
Dit boek is uitverkocht
Dit boek is leuk

Slide 20 - Slide

nakijken

Slide 21 - Slide

spelling werkwoorden

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

maak opdracht 
12 en 13

Slide 24 - Slide

deze les
Lezen
kalender
samenstellingen
meervouds - bij verwijzingen

Slide 25 - Slide

kalender
kwadraat

Slide 26 - Slide

samenstellingen
Zoveel mogelijk aan elkaar!

  1. hoge school
  2. hogeschool
  3. hoge-school

  1. auto-ongeluk
  2. autoongeluk
  3. autoöngeluk
  4. auto ongeluk



Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

maken
opdracht 14-21

Slide 29 - Slide

deze les
Lezen
Taalvoutjes

Slide 30 - Slide

lezen

Slide 31 - Slide

taalvoutjes
Jullie maken een poster zoals je ook achter in de klas ziet hangen.

Lesdoel: jullie herkennen taalfouten en begrijpen waarom iets niet goed geschreven is.

Slide 32 - Slide

taalvoutjes
Zoek op taalvoutjes.nl een afbeelding met een taalfout
- verkeerde spelling werkwoorden of
- verkeerde spelling samenstellingen

Laat de afbeelding zien en print uit.
Plak de afbeelding op een gekleurd blad.
Schrijf er met de hand 4 keuzemogelijkheden bij.

Slide 33 - Slide

taalvoutjes
het moet zijn:
A groentenplanten
B groenteplanten
C groente planten
D groenten planten


Slide 34 - Slide

taalvoutjes
het moet zijn:
A groentenplanten
B groenteplanten
C groente planten
D groenten planten

Antwoord B is goed want...

Slide 35 - Slide