H2 taalverzorging H7

H2 taalverzorging H7
1 / 64
next
Slide 1: Slide
Other languagesSecondary Education

This lesson contains 64 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

H2 taalverzorging H7

Slide 1 - Slide

deze les
lezen
kalender
hoofd- en bijzin


Slide 2 - Slide

lezen


Slide 3 - Slide

kalender 
carnivoor

carne = 

Slide 4 - Slide

hoofd- en bijzin
Uitleg 
Ik ga naar school, omdat ik leerplichtig ben
Hoofdzin: kan zelfstandig staan
→ Ik ga naar school.
Bijzin: kan niet zelfstandig staan, begint vaak met een voegwoord
→ omdat ik leerplichtig ben.

Slide 5 - Slide

hoofd- en bijzin
voegwoorden:
nevenschikkend (HZ + HZ) en, maar, want, of

onderschikkend (HZ + BZ) omdat, terwijl, als, dat, hoewel, toen, voordat, of...




Slide 6 - Slide

oefenen
Ik ga naar huis, want ik ben moe.
We wilden gaan zwemmen, maar het regende.
Kom je mee, of blijf je thuis?
Ze had geen zin, dus bleef ze binnen.
Hij zegt dat hij morgen komt.
Hoewel ze moe was, ging ze toch sporten.
We gingen naar binnen toen het begon te stormen.
Hij maakt zijn huiswerk en luistert naar muziek.

Slide 7 - Slide

hoofd- en bijzin

Oefening
Gebruik het woord omdat en maak een zin met een hoofdzin + bijzin.


Slide 8 - Slide

hoofd- en bijzin

Huiswerk: maak opdracht 4 en 5 van hoofdstuk 7


Slide 9 - Slide

koppelwerkwoorden
🎯 Leerdoel

Je kunt herkennen wat een koppelwerkwoord is en het verschil zien met een gewoon werkwoord.

Slide 10 - Slide

koppelwerkwoorden
Een zelfstandig werkwoord geeft aan wat iemand doet.

Jan heeft een appel gegeten.

Jan is naar huis gelopen.
Een werkwoordelijk gezegde heeft altijd een zelfstandig werkwoord.

Slide 11 - Slide

koppelwerkwoorden
Er zijn ook zinnen waar geen zelfstandig werkwoord in zit:

Ik ben ziek.
Ik word leraar.
Ik was gisteren niet aanwezig.

De dikgedrukt woorden zijn koppelwerkwoorden. Wat zijn dat?

Slide 12 - Slide

koppelwerkwoorden
Wat is een koppelwerkwoord?

Een koppelwerkwoord koppelt het onderwerp aan een eigenschap of toestand.

Het zegt niet wat iemand doet, maar wat iemand is of wordt.

Slide 13 - Slide

koppelwerkwoorden
zijn
worden
a
blijven
blijken
e
lijken
schijnen                                                                   ZWABBELS

Slide 14 - Slide

koppelwerkwoorden

a. Hij is boos → ___
b. Zij loopt snel → ___
c. Het eten wordt koud → ___
d. Ik schrijf een brief → ___

Slide 15 - Slide

koppelwerkwoorden
Hebben we hier te maken met koppelwerkwoorden of niet?



Ik ben gevallen.
Zij is verhuisd naar Duitsland.
Wij zijn aangekomen op het station.

Slide 16 - Slide

Deze les
Lezen
kalender
koppelwerkwoorden
nakijken huiswerk
spelling werkwoorden

Slide 17 - Slide

kalender
carnivoor

carne = 


Slide 18 - Slide

koppelwerkwoorden
zijn
worden
a
blijven
blijken
e
lijken
schijnen                                                                   ZWABBELS

Slide 19 - Slide

koppelwerkwoorden
Dit boek is uitverkocht
Dit boek is leuk

Slide 20 - Slide

nakijken

Slide 21 - Slide

spelling werkwoorden

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

maak opdracht 
12 en 13

Slide 24 - Slide

deze les
Lezen
kalender
samenstellingen
meervouds - bij verwijzingen

Slide 25 - Slide

kalender
kwadraat

Slide 26 - Slide

samenstellingen
Zoveel mogelijk aan elkaar!

  1. hoge school
  2. hogeschool
  3. hoge-school

  1. auto-ongeluk
  2. autoongeluk
  3. autoöngeluk
  4. auto ongeluk



Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

maken
opdracht 14-21

Slide 29 - Slide

Deze les
kalender
signaalwoorden
oefenen

Slide 30 - Slide

tot en met
Als kinderen tot 12 jaar gratis entree hebben, moeten ze dan wel of geen kaartje kopen als ze al 12 zijn?


Slide 31 - Slide

tot en met
Als kinderen tot en met 12 jaar gratis entree hebben, moeten ze dan wel of geen kaartje kopen als ze al 12 zijn?


Slide 32 - Slide

signaalwoorden
signaalwoorden geven aan dat er een verband is tussen woorden, zinnen, alinea's.

maar
omdat
toch
bijvoorbeeld

Slide 33 - Slide

signaalwoorden
Een verkeerd signaalwoord werkt erg verwarrend:

Het regende hard, want ik nam een paraplu mee.
Ik houd van pizza, maar pasta en lasagne.





Slide 34 - Slide

vaste voorzetsels
Ik praat met mijn ouders over de pakketkeuze.
Ik houd rekening met de andere leerlingen.


Slide 35 - Slide

vaste voorzetsels
Ik praat met mijn ouders over de pakketkeuze.
Ik houd rekening met de andere leerlingen.


Slide 36 - Slide

beeldspraak
figuurlijk taalgebruik: taal die je niet letterlijk moet nemen. Door de taal wordt een bepaald beeld neergezet.



Slide 37 - Slide

beeldspraak

Slide 38 - Slide

beeldspraak

Slide 39 - Slide

beeldspraak

Slide 40 - Slide

beeldspraak

Slide 41 - Slide

huiswerk
  • Maak opdracht 24-27
  • maak een lijstje met boeken die je zou willen lezen. 
lezenvoordelijst.nl
12-15
niet verfilmd!

Slide 42 - Slide

deze les
Lezen
kalender
taalverandering
leenwoorden

Slide 43 - Slide

kritiek

Slide 44 - Slide

taalverandering
het woei
zeepklopper
fax


Slide 45 - Slide

taalverandering
het woei

het waaide


Slide 46 - Slide

taalverandering
zeepklopper


Slide 47 - Slide

taalverandering
fax


Slide 48 - Slide

taalverandering
ook veel verandering in jeugdtaal

donders, mieters, cool, tof


Slide 49 - Slide

taalverandering
Wanneer een woord in het woordenboek?


Slide 50 - Slide

taalverandering
Wanneer een woord in het woordenboek?

Als het maar vaak genoeg gebruikt wordt.


Slide 51 - Slide

leenwoorden
Woorden overgenomen uit een andere taal. 

Schnitzel
überhaupt
sowieso
rendez-vous
paraplu


Slide 52 - Slide

huiswerk
Maak opdracht: 

Slide 53 - Slide

vandaag
lezen
kalender
H7 afmaken

Slide 54 - Slide

kalender
kritiek = negatief?

Slide 55 - Slide

kalender
hoofdstuk 7

Slide 56 - Slide

deze les
lezen
kalender
nakijken H7
begin H9

Slide 57 - Slide

formatie

Slide 58 - Slide

nakijken H7
Ook verbeteren!

Slide 59 - Slide

H9
bij opdracht 12
pv tt, 2e pers., ev

Slide 60 - Slide

pv tt, 2e pers., ev
persoonsvorm  tegenwoordige tijd, 2e pers., ev

Slide 61 - Slide

pv tt, 2e pers., ev
1e persoon - ik
2e persoon - jij/je                                          ENKELVOUD
3e persoon - hij/zij/het

1e persoon - wij 
2e persoon - jullie                                         MEERVOUD
3e persoon - zij

Slide 62 - Slide

pv tt, 2e pers., ev
Maak een zin met vinden

Slide 63 - Slide

H9
9.1 grammatica slaan we over!
maken: 9.2 werkwoordspelling. Dit is herhaling. Gebruik je schema.

Huiswerk: opdracht 11, 12, 13, 14

Slide 64 - Slide