Les 4 mei

Vandaag
Opwarmer
4 en 5 mei
Werkwoorden
Les 3 Ada


1 / 31
next
Slide 1: Slide
NT2Enseignement Secondaire

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Vandaag
Opwarmer
4 en 5 mei
Werkwoorden
Les 3 Ada


Slide 1 - Slide

Vandaag
https://schooltv.nl/video-item/clipphanger-wie-herdenken-we-op-4-mei



https://docs.google.com/document/d/1Dli9dwiZNTuxpclDgruuUFr-WTKF9U-TG9I2Ws2MxCM/edit?usp=sharing

https://schooltv.nl/video-item/kinderen-voor-kinderen-twee-minuten-stilte


Slide 2 - Slide

Werkwoorden
Betekenis van verschillende werkwoorden
Vervoegen van werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Slide 3 - Slide

Je maakt je kleding glad.
timer
0:20
A
strijden
B
stijrken
C
strijken
D
stijgen

Slide 4 - Quiz

Je gaat met je arm hard tegen de deur aan. Hoe noem je dat.
timer
0:20
A
Je stoot je arm.
B
Je treft je arm.
C
Je arm treedt af.
D
Je steekt je arm.

Slide 5 - Quiz

Je wilt sorry zeggen. Wat is goed.
timer
0:20
A
Ik spijt me.
B
Ik ben spijt.
C
Het spijt hem.
D
Het spijt me.

Slide 6 - Quiz

Tegenwoordige tijd

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Rekenen: De leerling ______ op de hulp van zijn juf

Slide 10 - Open question

Praten: De ouders ______________ over hun kinderen.

Slide 11 - Open question

Vouwen: Ik ___________ het tafelkleed op.

Slide 12 - Open question

Hopen: Jij ____________ elke dag wat anders.

Slide 13 - Open question

Parkeren: Hij _____________ zijn step onder het afdak.

Slide 14 - Open question

Komen: Kim _________ met de bus naar school.

Slide 15 - Open question

Dragen: Ik ___________ de tas van mijn broertje.

Slide 16 - Open question

Leren: Ik _________ alle namen van de landen in Europa.

Slide 17 - Open question

Lachen: ____________ jij altijd zo luidruchtig?

Slide 18 - Open question

Antwoorden: Esra ___________ op de vraag van de juf.

Slide 19 - Open question

Knuffelen: Jij ___________ graag met konijnen.

Slide 20 - Open question

Aaien: Kim ____________ de kat van de buren.

Slide 21 - Open question

Proeven: _____________ je de soep van mijn oma?

Slide 22 - Open question

Welke zin is goed?
timer
0:20
A
Zij treffen elkaar bij het station.
B
Zij treft elkaar bij het station.
C
Zij troft elkaar bij het station
D
Zij trofen elkaar bij het station.

Slide 23 - Quiz

Welk woord kan in de zin?
Het ................. hier gisteren heel erg.
timer
0:20
A
gestonken
B
gestinkt
C
stinkt
D
stonk

Slide 24 - Quiz

Welk woord kan in de zin?
De mannen ........... aan het touw.
timer
0:20
A
trekken
B
trokten
C
trekt
D
getrokken

Slide 25 - Quiz

Welk woord kan in de zin?
Het meisje ........... van de kou.
timer
0:20
A
sterf
B
stierft
C
stierf
D
gestorven

Slide 26 - Quiz

Welk woord kan in de zin?
De president is ......................
timer
0:20
A
aftreden.
B
treedt af.
C
afgetreed.
D
afgetreden.

Slide 27 - Quiz

Welk woord kan in de zin?
Hij ............ van zijn fiets .........
timer
0:20
A
heeft, gevalt
B
heeft, gevallen
C
is, gevalt
D
is, gevallen

Slide 28 - Quiz

Welk woord kan in de zin?
Hij ............. afgelopen weekend op het water.
timer
0:20
A
vaart
B
gevaren
C
voert
D
voer

Slide 29 - Quiz

Wat is de ik-vorm (stam) van verlopen
timer
0:20
A
veerlop
B
verloop
C
verlop
D
verloopt

Slide 30 - Quiz

Les 4 mei

Slide 31 - Slide