Les 8 - Basisvaardigheden (kost)prijs berekenen

Les 8 - Basisvaardigheden

(kost)prijs berekenen

Project Glow & Show - Uiterlijke verzorging

1 / 16
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

This lesson contains 16 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Les 8 - Basisvaardigheden

(kost)prijs berekenen

Project Glow & Show - Uiterlijke verzorging

Planning

15 min Theorie kostprijs berekenen

20 min Oefenopdracht + bespreken

20 min Oefenopdracht + bespreken

20 min extra opdracht

Leerdoelen

  • De leerling kan aan het eind van de les een kostprijs berekenen.


  • De leerling kan aan het eind van de les een winstmarge bepalen en daarmee de verkoopprijs berekenen.


  • De leerling kan aan het eind van de les bepalen hoeveel btw er op een product zit en hiermee de consumentenprijs berekenen.

Kostprijs

De kostprijs is het bedrag dat een bedrijf betaalt om een product te maken of in te kopen.


Bij handel betekent het vaak:

  • de inkoopprijs

  • plus extra kosten


Bijvoorbeeld:

  • transportkosten

  • verpakkingskosten

  • opslagkosten

Formule kostprijs

Kostprijs per product = (vaste kosten + totale variabele kosten) / aantal producten


Vaste kosten blijven hetzelfde, ook als een bedrijf meer of minder verkoopt of produceert. Bijvoorbeeld: huur, verzekeringen, abonnementen, etc.


Variabele kosten veranderen mee met de productie of verkoop.

Hoe meer producten een bedrijf maakt of verkoopt, hoe hoger deze totale kosten worden. Bijvoorbeeld: grondstoffen, verpakkingen, bezorgkosten, etc.

Voorbeeldopdracht kostprijs

Een pizzeria verkoopt pizza’s. In één maand verkoopt de pizzeria 1.000 pizza’s.

Voor één pizza zijn de volgende ingrediënten nodig:

  • deeg = €1,20

  • kaas = €0,80

  • tomatensaus = €0,50

  • doos = €0,40


De pizzeria heeft ook vaste kosten:

  • huur = €1.500 per maand


Bereken de kostprijs van één pizza.

Manier 1:

Var. kst p.p. = €1,20 + €0,80 + €0,50 + €0,40 = €2,90

Vaste kst p.p. = €1.500 / 1.000 pizza's = €1.50

Kostprijs p.p. = €2,90 + €1,50 = €4,40


Manier 2:

Var. kst p.p. = €1,20 + €0,80 + €0,50 + €0,40 = €2,90

Totale var. kst = €2,90 x 1.100 pizza's = €2.900

Kostprijs p.p = (€1.500 + €2.900) / 1.000 = €4,40


Opbouw van kostprijs naar brutoverkoopprijs

Inkoopprijs of kostprijs

Brutowinstopslag +

= netto verkoopprijs

Btw +

= bruto verkoopprijs


De bruto verkoopprijs wordt ook wel de consumentenprijs genoemd, omdat dit de prijs is die de consumenten betalen in de winkel.

BTW tarieven

  • 21 % - luxe producten en bijna alle diensten

  • 9 % - eten/drinken, krant, medicijnen, kapper fietsenmaker.

  • 0 % - export/medische hulp/onderwijs/jeugdzorg

Voorbeeldopdracht bruto verkoopprijs

In de vorige opdracht bleek dat één pizza een kostprijs had van €4,40. De pizzeria hanteert een brutowinstmarge van 160%. Daarnaast zit er op pizza 9% btw. Bereken zowel de verkoopprijs als consumentenprijs.


Kostprijs

Brutowinstopslag

= Verkoopprijs

Btw

= Consumentenprijs


€ 4,40

€ 7,04 + (=4,40 / 100 x 160)

= €11,44

€ 1,03 + (=11,44 / 100 x 9)

= €12,47

Oefenopdracht (werkblad)

Je hebt een bedrijf dat gepersonaliseerde notitieboeken verkoopt. Je maakt de volgende kosten:

Vaste kosten (per maand)

  • Huur werkruimte: €300

  • Software en website: €50

  • Verzekering: €30


Variabele kosten (per notitieboek)

  • Notitieboek basis: €2,00

  • Bedrukking: €1,50

  • Verpakking: €0,50

  • Verzenden: €2,00


Je hanteert een brutowinstmarge van 120%. Je verwacht in één maand 200 notitieboeken te maken en te verkopen. Bereken de kostprijs, verkoopprijs en consumentenprijs.

10

minute

00

second

Oefenopdracht 1 - antwoorden

Totale vaste kosten = €300 + €50 + €30 = €380

Totale variabele kosten = €2 + €1,50 + €0,50 + €2 = €6 x 200 = €1.200

Totale kosten = €380 + €1.200 = €1.580

Kostprijs per stuk = €1.580 / 200 stuks = €7,90


Kostprijs

Brutowinstopslag

= Verkoopprijs

Btw

= Consumentenprijs

€ 7,90

€ 9.48 + (= 7,90 / 100 x 120)

= €17,38

€ 3,65 + (=17,38 / 100 x 21)

= €21,03

Aan de slag met het werkblad! Oefening 2 + 3

15

minute

00

second

Oefenopdracht 2 - antwoorden

  1. Vaste kosten per T-shirt: € 500 ÷ 250 = € 2,00

  2. Variabele kosten per T-shirt: € 7,00

Kostprijs = € 2,00 + € 7,00 = € 9,00


Kostprijs € 9,00

Brutowinstmarge (100%) € 9,00 +

Verkoopprijs € 18,00

Btw (21% van € 18,00) € 3,78 +

Consumentenprijs € 21,78

Oefenopdracht 3 - antwoorden

  1. Vaste kosten per cupcake: € 300 ÷ 500 = € 0,60

  2. Variabele kosten per cupcake: € 1,50

Kostprijs = € 0,60 + € 1,50 = € 2,10


Kostprijs € 2,10

Brutowinstmarge (150%) € 3,15 +

Verkoopprijs € 5,25

Btw (9% van € 5,25) € 0,47 +

Consumentenprijs € 5,72

Extra opdracht: Start je eigen bedrijf

10

minute

00

second