Life Science
Koolhydraten
Life Science
Koolhydraten
Wat weet je al van koolhydraten en geef voorbeelden van producten waar ze in zitten.
Koolhydraten: basisformule
Sachariden: suikers
aldo- of keto-
tri,tertr, pent, hex, etc
aldohexose
Monosachariden:
Disachariden
Oligosachariden
Polysachariden
is een
aldopentose
aldohexose
ketopentose
ketohexose
Fischer projectie
Snelle methode om chiraliteit te zien
Veel gebruikt bij suikers
Welke voorwaarden heb je nodig voor chiraliteit?
Wat heeft D en L met chiraliteit te maken?
D en L suikers
Hoeveel C* atomen?
Hoeveel sterioisomeren?
Meeste suikers zijn D
L-suiker:
OH-groep zit links
Suikers met meerder C*-atomen?
D of L wordt bepaald door C* die verst van de aldose of ketose groep zit.
Opdrachten:
Maak opdracht 14.4; 14.6 en 14.7
Vorming Hemiacetal en Hemiketal:
Slide tekst
Cyclische structuren van suikers: Haworth Projectie
Pyranose vorm
De aldehydegroep reageert hier met de C5 tot een ringstuctuur
Hoe van fischer naar Cyclische structuur?
Beta = boven (C1)
OH-groepen: LO en RB
Cyclische structuren van suikers: Haworth Projectie
Furanose vorm:
5-ring
Waarom hier alfa vorm?
Met welke C reageert de =O?
Kun je ook een Pyranose vorm maken?
Hoe ziet die er uit (blz479)
Boot en stoel configuratie
Slide tekst
Mutorotatie
Teken de pyranose vorm van D-idose en D-galactose (p477).
Beredeneer of het de alpha of beta vorm is.
Verestering of verethering van suikers
Modificatie van suikers vind vaak plaats om ze makkelijker te kristalliseren of te zuiveren
Verestering kan plaatsvinden door een reactie met AC2O
Veretering kan plaatsvinden met bv. CH3I met Ag2O als base
ZIe boek p482
Glycoside binding:
De anomere hydroxyl en een hydroxyl van een ander suiker (of een andere verbinding) kunnen binden onder het afsplitsen van water:
R-OH + HO-R' à R-O-R' + H2O
Bv. methanol dat reageert met de anomere OH van glucose en dat wordt: methyl glucoside (methyl-glucopyranose).
Fosforylatie
D-Gluconosyl uridine 5’ difosfate
Brengt de gluconosyl over op bv een eiwit of vet
Voor eiwitten zeer belangrijk o.a vouwing van het eiwit
Reductie van suikers
Reductie met NaBH4 en water
Waarom hier reductie?
C1 is de "reducing end"
Oxidatie van suikers
Hier oxidatie van glucose tot gluconic acid
Detectie van glucose in urine (diabetes)
Dus:
Suiker met een aldehyde is een reducing agens
Bv. Benedict's reagent
Disachariden:
Sucrose
a(1®2) binding
Het heet: a-D-glucopyranosyl-(1®2)-b-D-fructopyranose.
Lactose
b(1®4) binding
b-D-galactopyranosyl-(1® 4)-a-D-glucopyranose
Polysachariden:
Planten bewaren glucose als amylose of amylopectin, (zetmeel)
Amylose is keten met : a(1®4) bindingen
Alleen de eindstandige anomere C1 heeft geen glycoside binding en is dus het reducing end.
Alleen deze kan ook can de alfa naar de beta vorm gaan (en dus een ringopening hebben)
Andere polysachariden:
Amylopectin heeft a(1®4) bindingen, maar ook a(1®6) vertakkingen (boek p 492).
Glycogeen, de glucose opslag polymeer bij dieren, lijkt heel veel op amylopectin. Echter, het heeft meer a(1®6) vertakkingen.
Cellulose, van planten celwanden , heeft lange lineaire ketens van glucose met b(1®4) bindingen.
Om en om zijn de glucoses flipped over, dankzij de b bindingen.
Hierdoor meer intra-en inter-keten H-bruggen mogelijk en meer
van der Waals interacties, Hierdoor zijn cellulose ketens recht en stevig, en is een kristallijne pakking mogelijk in dikke bundels- microfibrils.
Bloedgroepen
Suikers hebben een belangrijke functie voor het bepalen van de bloedgroep (A, B, AB, of O) zie boek p493.
Hierdoor kun je niet altijd ieder bloed aan een persoon geven: