Mens en Omgeving LessonUp 3

Hoofdstuk 5 t/m 10.  Educatieve uitgevers M&G
1 / 25
next
Slide 1: Slide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min

Items in this lesson

Hoofdstuk 5 t/m 10.  Educatieve uitgevers M&G

Slide 1 - Slide

Waarom moet je rauw en besmet vlees apart houden?
A
Kans op stuifbesmetting.
B
Kans op kruisbesmetting.
C
Kans op bederven.
D
Kans op verminderde voedingswaarde.

Slide 2 - Quiz

Wat hoort niet bij Anorexia Nervosa?
A
Het is een eetstoornis.
B
Het is een ziekte van de zenuwen.
C
Komt vooral voor bij meisjes tussen 14-18 jaar
D
Jongeren met anorexia willen vaak veel bewegen.

Slide 3 - Quiz

BMI
  • = Body Mass Index
  • Een berekening om te kijken of iemand te zwaar is.
  • Belangrijk voor de berekening is de lengte en het gewicht.

Slide 4 - Slide

Wat betekent de uitslag van de BMI?
  • BMI < 18.5=  Ondergewicht. ( dus te mager)
  • BMI 18.5- 24.9= Gezond gewicht
  • BMI 25- 29.9 = Overgewicht ( dus te dik)
  • BMI> 30 = Ernstig overgewicht. ( veel te dik- gevaar voor gezondheid)
  • BMI > 40: extreme obesitas

Slide 5 - Slide

Jan is overgevoelig voor een voedingsmiddel.
Zijn lichaam reageert heftig met jeuk, benauwdheid, zwelling.
Jan heeft een:
A
Voedselallergie.
B
Voedingsintolerantie.

Slide 6 - Quiz

Jan eet voeding waar hij niet goed tegen kan. Hij heeft nu buikkrampen en een beetje diarree.
Jan heeft een:
A
Voedselallergie.
B
Voedselintolerantie.

Slide 7 - Quiz

Genotsmiddelen:
A
Zijn middelen die je lichaam een geest stimuleren.
B
Zijn voorbehoedsmiddelen.

Slide 8 - Quiz

Softdrugs zijn minder schadelijk voor je gezondheid dan harddrugs.
A
Waar.
B
Niet waar.

Slide 9 - Quiz

Noem twee voorbeelden van softdrugs.

Slide 10 - Open question

Cocaïne, XTC, Speed en GHB zijn voorbeelden van:

Slide 11 - Open question

Wat betekent convenience food?
A
Voeding die snel en gemakkelijk klaar is.
B
Voeding die niet snel en gemakkelijk klaar is.

Slide 12 - Quiz

Dit is convenience food.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 13 - Quiz

Dit is een voorbeeld van convenience food.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 14 - Quiz

Hoe noem je deze snijtechniek?
A
En chinoise
B
En brunoise
C
En Julienne

Slide 15 - Quiz

Hoe noem je deze snijtechniek?
A
En chinoise
B
En brunoise
C
En julienne

Slide 16 - Quiz

In de maatbeker zit 1 liter.
Hoeveel milliliter is dit?

Slide 17 - Open question

In de maatbeker zit 250 ml.
Dit is hetzelfde als
A
0,5 liter
B
0,25 liter
C
0.25 dl.

Slide 18 - Quiz

Hoe heet dit keukengerei?

Slide 19 - Open question

Dit is een
A
Mixer
B
Staafmixer

Slide 20 - Quiz

Hoe heet dit apparaat?

Slide 21 - Open question

Dit is een:
A
Staafmixer
B
Blender
C
Foodprocessor
D
Staafmixer

Slide 22 - Quiz

De temperatuur van een koelkast moet je instellen op:
A
-2 Gr. Celsius
B
2 gr. Celsius
C
-4 gr. Celsius
D
4 gr. Celsius

Slide 23 - Quiz

De diepvriezer stel je in op:
A
-1 gr. Celsius
B
-6 gr. Celsius
C
-12 gr. Celsius
D
- 18 gr. Celsius

Slide 24 - Quiz

Wat is het verschil tussen het wassen en desinfecteren van handen?

Slide 25 - Open question