,

les 4 natuurbeheer

1 / 88
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 88 slides, with interactive quizzes, text slides and 9 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

              Startopdracht 
Opdracht:
Natuurbeheer gaat over het beschermen en herstellen van natuurgebieden. Denk aan bossen, duinen, rivieren of weidegebieden.

Schrijf in 5-6 zinnen:
• Waarom is natuurbeheer belangrijk?
• Noem één voorbeeld van natuurbeheer in Nederland (bijv. de Oostvaardersplassen, duinherstel, of bosaanplant).
• Wat vind jij: moeten mensen de natuur zoveel mogelijk met rust laten, of juist actief beheren? Leg kort uit waarom.


Tijd: 5-7minuten
Doel: Inzicht krijgen in het belang en de dilemma’s van natuurbeheer

timer
3:00

Slide 2 - Slide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
natuurbeheer

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

JdW-kijkwijzer
Lesopbouw:

  1. Vooraf:
    Startklaar, Voorkennis activeren, Formatief Handelen

  2. Instructie:
    Leerdoelgericht werken, Inclusieve didactiek, Concrete en herkenbare voorbeelden, Formatief Handelen

  3. Toepassing:
    Actieve verwerking, Formatief handelen 

  4. Evaluatie:
    Afsluiting

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Overzicht Periode #

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

              Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon in het Zakkie 
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui 
timer
3:00

Slide 7 - Slide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
Checklist:
  • Bepaal welke voorkennis relevant is voor de nieuwe lesstof.
  • Ontwerp een terugblik-opdracht die deze voorkennis activeert.
  • Overweeg of en hoe thuistalen ingezet kunnen worden om voorkennis te activeren.
Terugblik opdracht

Slide 8 - Mind map

2. Voorkennis activeren
De docent activeert relevante voorkennis aan de hand van een terugblik-opdracht, waarbij eventueel een beroep op de thuistalen wordt gedaan. Op deze manier biedt de docent een kapstok om nieuwe stof te verbinden aan de eerder geleerde stof en richting te geven aan het verdere verloop van de les. Tegelijkertijd worden hiermee misconcepties van leerlingen zichtbaar gemaakt, waar de docent vervolgens gericht op in kan spelen. 
           Leerdoelen
  1. Je kunt verklaren dat veel natuur in Nederlands is ontstaan door ingrijpen van de mens
  2. Je kunt manieren noemen waarop mensen in Nederland de natuur behouden, beschermen en herstellen.


Slide 9 - Slide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.      
Relaties tussen soorten
Symbiose:  samenlevingsvorm tussen soorten 
Hier zijn drie verschillende vormen van.

Voorbeeld:
Stel ik heb autovervoer nodig en ik heb geen auto. Welke opties heb ik?


Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Ik kan een taxi nemen
Mutualisme (beide voordeel)
ik: 



taxichauffeur:

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Commensalisme 
Ik kan liften
gast voordeel, gastheer geen voor- of nadeel)
ik: 



chauffeur:

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Ik kan een auto stelen
Parasitisme (gast voordeel, gastheer nadeel)
ik: parasiet



eigenaar: gastheer

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Wat is een biologisch evenwicht?
A
De populatiegrootte schommelt om een evenwichtswaarde heen.
B
Geboorte, sterfte en migratie zorgen voor een biologisch evenwicht.
C
antwoord A en B zijn goed
D
Antwoord A en B zijn beiden fout.

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Wat is geen vorm van symbiose?
A
Parasitisme
B
Commensalisme
C
Predator-prooi relatie
D
Mutualisme

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Deze symbiose is...
A
Mutualisme
B
Parasitisme
C
Commensalisme
D
Predatie

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

 Natuurbeheer

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Relaties met de omgeving

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Inrichting van onze omgeving
bijvoorbeeld: 
  • landbouw 
  • aangeplante bossen voor bosbouw en recreatie
  • energiewinning
  • waterbeheer zoals dijken en sloten

Wanneer het landschap helemaal is gevormd door de mens spreek je van een Cultuurlandschap

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Natuurbescherming
Behouden en/of ontwikkelen van natuur en biodiversiteit door:
  • vergroten natuurgebieden
  • natuurgebieden met elkaar verbinden
  • variatie in het landschap brengen


Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Natuurbescherming
Natuurbehoud = maatregelen nemen om te voorkomen dat natuur verdwijnt of onder druk komt te staan. Bijv. hoe behouden we natuur terwijl steden groeien?
Natuurbeheer = menselijk ingrijpen ten behoeve van optimale leefomstandigheden voor planten en dieren. Bijv. grote grazers die grassen laag houden, zodat andere planten meer licht hebben.
Natuurontwikkeling = natuur beïnvloeden door eerst menselijk ingrepen te doen en daarna de natuur haar gang laten gaan. Bijv. de Marker wadden

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Landbouw:

akkerbouw
tuinbouw
veeteelt
Land gebruikt voor planten en dieren voor menselijk gebruik

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Biodiversiteit
  • De variatie aan planten en dieren.
  • In het regenwoud is de biodiversiteit groot
  • Bij een grote biodiversiteit is het ecosysteem stabiel

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Biodiversiteit
Verlies biodiversiteit 
-> ecosysteem aangetast

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Herintroductie
= terugbrengen van een  dier/ plantensoort in een land

maatregel om de bedreigde soorten weer in aantal te laten toenemen.

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Slide 26 - Video

This item has no instructions

Een grasland met 75 verschillende soorten grassen en kruiden of een zee met 75 verschillende soorten vissen.
Welke heeft naar jouw mening een hogere biodiversiteit?
Een grasland met 75 verschillende soorten grassen en kruiden
Een zee met 75 verschillende soorten vissen
De biodiversiteit is gelijk

Slide 27 - Poll

This item has no instructions

Een bos van 99 eikenbomen en 1 beukenboom of een bos met 50 eikenbomen en 50 beukenbomen.
Welke heeft naar jouw mening een hogere biodiversiteit?
Een bos van 99 eikenbomen en 1 beukenboom
Een bos met 50 eikenbomen en 50 beukenbomen
De biodiversiteit is gelijk

Slide 28 - Poll

This item has no instructions

Een vijver met 6 verschillende vissoorten of een vijver met 4 verschillende vissoorten en 2 amfibiesoorten.
Welke heeft naar jouw mening een hogere biodiversiteit?
Een vijver met 6 verschillende vissoorten
Een vijver met 4 verschillende vissoorten en 2 amfibiesoorten
De biodiversiteit is gelijk

Slide 29 - Poll

This item has no instructions

Een schip ligt al meer dan driehonderd jaar op de bodem voor de kust van Australië. Leg uit waarom dit schip voor een grotere biodiversiteit zorgt.

Slide 30 - Open question

This item has no instructions

De mens is voor al zijn basisbehoeften afhankelijk van zijn omgeving.
A
Dat is waar
B
Dat is onzin

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

De mens is afhankelijk van zijn omgeving voor .....
A
grondstoffen
B
voedsel en zuurstof
C
water en energie
D
recreatie

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Inrichting van onze omgeving
bijvoorbeeld: 
  • landbouw 
  • aangeplante bossen voor bosbouw en recreatie
  • energiewinning
  • waterbeheer zoals dijken en sloten

Wanneer het landschap helemaal is gevormd door de mens spreek je van een Cultuurlandschap

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Slide 34 - Video

This item has no instructions

Slide 35 - Video

This item has no instructions

Je hebt filmpjes over biodiversiteit gekeken, wat is biodiversiteit? Omschrijf in eigenwoorden

Slide 36 - Open question

This item has no instructions

Biodiversiteit
  • De variatie aan planten en dieren.
  • In het regenwoud is de biodiversiteit groot
  • Bij een grote biodiversiteit is het ecosysteem stabiel

Slide 37 - Slide

This item has no instructions

Natuurbescherming
Behouden en/of ontwikkelen van natuur en biodiversiteit door:
  • vergroten natuurgebieden
  • natuurgebieden met elkaar verbinden
  • variatie in het landschap brengen


Slide 38 - Slide

This item has no instructions

Natuurbescherming
Natuurbehoud = maatregelen nemen om te voorkomen dat natuur verdwijnt of onder druk komt te staan. Bijv. hoe behouden we natuur terwijl steden groeien?

Slide 39 - Slide

This item has no instructions

Slide 40 - Video

This item has no instructions

Natuurbeheer = menselijk ingrijpen ten behoeve van optimale leefomstandigheden voor planten en dieren. Bijv. grote grazers die grassen laag houden, zodat andere planten meer licht hebben.

Slide 41 - Slide

This item has no instructions

Slide 42 - Video

This item has no instructions

Natuurontwikkeling = natuur beïnvloeden door eerst menselijk ingrepen te doen en daarna de natuur haar gang laten gaan. Bijv. de Marker wadden. Daar zie je meer over in de volgende video

Slide 43 - Slide

This item has no instructions

Slide 44 - Slide

This item has no instructions

Herintroductie
= terugbrengen van een  dier/ plantensoort in een land

maatregel om de bedreigde soorten weer in aantal te laten toenemen.

Slide 45 - Slide

This item has no instructions

Slide 46 - Video

This item has no instructions

Wat zou een andere oplossing kunnen zijn voor de Oostvaardersplassen?

Slide 47 - Open question

This item has no instructions

Slide 48 - Video

This item has no instructions

Wat is het doel van de herintroductie van de wolf in Nederland?

Slide 49 - Open question

This item has no instructions

Een schip ligt al meer dan driehonderd jaar op de bodem voor de kust van Australië. Leg uit waarom dit schip voor een grotere biodiversiteit zorgt.

Slide 50 - Open question

This item has no instructions

Wat is parasitisme?
A
Beide soorten profiteren gelijk
B
Geen schade aan de gastheer
C
Eén soort profiteert van de ander
D
De parasiet leeft van de gastheer

Slide 51 - Quiz

This item has no instructions

Wat is mutualisme?
A
Geen interactie tussen de soorten
B
Samenwerking tussen twee soorten
C
Wederzijds voordeel voor beide soorten
D
Eén soort profiteert ten koste van de ander

Slide 52 - Quiz

This item has no instructions

Stel dat de gemiddelde
omgevingstemperatuur
25 °C is, maar overdag
schommelt tussen 20 °C en 40 °C.
Welk dier heeft de grootste
kans om te overleven?
A
Dier A, omdat het precies bij 25 °C het hoogste optimum heeft.
B
Dier A, omdat het altijd beter tegen temperatuurschommelingen kan.
C
Dier B, omdat het in een breder temperatuurbereik actief blijft.
D
Dier B, omdat het een lagere optimumtemperatuur heeft.

Slide 53 - Quiz

This item has no instructions

Wat betekent een
brede optimumkromme
voor de overlevingskansen
van een dier?
A
Het dier kan alleen overleven in een smal temperatuurbereik.
B
Het dier kan zich beter aanpassen aan wisselende temperaturen.
C
Het dier sterft sneller bij temperatuurschommelingen.
D
Het dier heeft geen optimumtemperatuur.

Slide 54 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een biologisch evenwicht?
A
Alle organismen zijn gelijkwaardig
B
Populaties die schommelen om de evenwichtswaarde
C
Geen invloed van menselijke activiteiten
D
Altijd constante temperatuur in de natuur

Slide 55 - Quiz

This item has no instructions

Kunnen jullie voorbeelden geven waar de mens het milieu voor gebruikt?

Slide 56 - Mind map

Enkele voorbeelden kunnen zijn: Voedsel, energie, water, grondstoffen, zuurstof, recreatie
Cultuurlandschap
Ontstaan door mensen (niet alleen natuur)
Voorbeelden: weilanden, akkers, dorpen, steden, dijken
Kenmerk: ingericht en gebruikt door mensen

Slide 57 - Slide

This item has no instructions

Slide 58 - Slide

This item has no instructions

Waar gebruiken mensen wereldwijd heel veel grond en water voor?
A
Douchen, schoonmaken, vaatwasser en wasmachine, mooie stadstuintjes
B
Bossen en dieren
C
Het vullen van zwembaden en waterparken
D
Visserij, landbouw, veeteelt, bebouwing, transport, winning van grondstoffen

Slide 59 - Quiz

This item has no instructions

Wat is herintroductie van een bepaalde plant of diersoort?

Slide 60 - Open question

This item has no instructions

Cultuurlandschap
Cultuurlandschap
Cultuurlandschap
Koppel aan de juiste plaatjes het begrip cultuurlandschap

Slide 61 - Drag question

This item has no instructions

Wat is natuurbeheer?

Slide 62 - Open question

This item has no instructions

Voorbeelden van natuurbeheer

Slide 63 - Slide

This item has no instructions

Voorbeelden van natuur behoud
Natura 2000-gebieden: 
Europese bescherming van kwetsbare natuur (bijv. Waddenzee).

Soortenbescherming: verboden om beschermde dieren (zoals otters of vleermuizen) te doden of hun leefgebied te verstoren.

Monumentenstatus voor landschappen: bepaalde duinen, bossen of historische landschappen mogen niet bebouwd worden.

Slide 64 - Slide

This item has no instructions

Kunnen jullie nu enkele voorbeelden noemen van natuur herstel?

Slide 65 - Mind map

Natuurherstel betekent dat de natuur weer in een betere of meer oorspronkelijke staat wordt teruggebracht. Vijf duidelijke voorbeelden uit Nederland zijn:

Moerasherstel in de Oostvaardersplassen – waterpeil verhogen zodat rietlanden en moerasvogels terugkeren.

Duinen laten stuiven – stuifduinen weer actief maken door helmgras weg te halen en zand vrij te laten waaien.

Beekherstel – rechtgetrokken beken (zoals de Drentsche Aa) weer laten kronkelen voor een natuurlijker waterloop.

Veengebieden nat maken – sloten dempen zodat veen weer kan aangroeien en uitstoot van CO₂ vermindert.

Zandverstuivingen herstellen – bomen en struiken weghalen om open zandvlaktes te behouden voor zeldzame insecten en planten.
Welke natuur gebieden in Nederland worden hersteld?
A
Stedelijke gebieden, industrie gebieden
B
Dorpen en stedelijke gebieden
C
Moerasgebieden, bossen
D
Industriegebieden

Slide 66 - Quiz

This item has no instructions

Ecosystemen in Nederland

Slide 67 - Slide

This item has no instructions

T3
R9
kringloop
voedselketen
voedselweb

Slide 68 - Drag question

This item has no instructions

Sleep het juiste organisatieniveau naar de plaatsen in de afbeelding
Biosfeer
Ecosysteem
Levensgemeenschap
Populatie
Individu

Slide 69 - Drag question

This item has no instructions

Ecosystemen in Nederland

Slide 70 - Slide

This item has no instructions

Biodiversiteit
Biodiversiteit

Slide 71 - Slide

This item has no instructions

Biodiversiteit
De biodiversiteit is een maat voor het aantal verschillende soorten organismen dat in een gebied voorkomt. Hoe meer verschillende planten en dieren er zijn, hoe hoger de biodiversiteit. 

Slide 72 - Slide

This item has no instructions

Slide 73 - Video

This item has no instructions

Wat is biodiversiteit?

Kies de juiste definitie:
A
Biodiversiteit is een maat voor het aantal organismen dat in een gebied voorkomt.
B
Biodiversiteit is een maat voor het aantal soorten dat in een gebied voorkomt.

Slide 74 - Quiz

This item has no instructions

Succesie

Slide 75 - Slide

This item has no instructions

0

Slide 76 - Video

This item has no instructions

           Instructie
Checklist:
  • Interactieve uitleg (responsief): wisbordjes, LessonUp check-vragen, Cornell-methode.
  • Een contextrijke en inclusieve leeromgeving door (culturele) achtergronden in de lesstof te integreren.
  • Meertaligheid functioneel inzetten.
  • Iedereen bij de les betrekken.

Slide 77 - Slide

4. Inclusieve didactiek
De docent past diverse strategieën toe om de betrokkenheid van alle leerlingen te garanderen. Door regelmatig het begrip van de lesstof te controleren en zo nodig de uitleg aan te passen, blijft de stof toegankelijk voor iedereen. Flexibele en heterogene differentiatie ondersteunt dit proces. Interactie in de klas wordt versterkt door het gebruik van thuistalen. Verder creëert de docent een contextrijke en inclusieve leeromgeving door (culturele) achtergronden in de lesstof te integreren. Door positief en proactief op leerlinggedrag te reageren, wordt het voor leerlingen makkelijker om gewenst gedrag te tonen en actief deel te nemen aan de les.

Controle vragen
A
a.
B
b.
C
c.
D
d.

Slide 78 - Quiz

7. Formatief handelen
De docent geeft de leerlingen gedurende de les gerichte feedback, feedup en feedforward op de op de inhoud van het werk, de leerstrategie, het gedrag en op zelfsturing. De docent bevraagt willekeurig leerlingen met open vragen. De docent stimuleert kwaliteitsbesef onder leerlingen door bijvoorbeeld leerlingen elkaars werk te laten vergelijken of uitgewerkte voorbeelden te gebruiken, gevolgd door geïnformeerde vervolgstappen.

Controle vragen

Slide 79 - Open question

7. Formatief handelen
De docent geeft de leerlingen gedurende de les gerichte feedback, feedup en feedforward op de op de inhoud van het werk, de leerstrategie, het gedrag en op zelfsturing. De docent bevraagt willekeurig leerlingen met open vragen. De docent stimuleert kwaliteitsbesef onder leerlingen door bijvoorbeeld leerlingen elkaars werk te laten vergelijken of uitgewerkte voorbeelden te gebruiken, gevolgd door geïnformeerde vervolgstappen.
       Voorbeelden
Checklist:
  • Dual Coding (woord en beeld combineren)
  • Concrete voorbeelden
  • Herkenbare voorbeelden gerelateerd aan de leefwereld van de leerlingen

Slide 80 - Slide

5. Concrete en herkenbare voorbeelden
De docent maakt gebruik van praktische en concrete voorbeelden die voor leerlingen herkenbaar zijn in hun eigen leefwereld om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent doet hierbij een beroep op dual coding. Door het visuele en het verbale te combineren vergroot de docent de kans dat lesstof beter bij de leerlingen blijft beklijven. 
Aan de slag
Checklist:
  • Expliciete instructie voor toepassingsopdracht: wat, hoe, hoe lang, klaar?
  • Afwisseling in oefentypes (herkneden van de lesstof)
  • Eerst voordoen, daarna begeleidt inoefenen, vervolgens zelfstanding en weer samen (ik--wij-jij/jullie-wij)
  • Het leren zichtbaar maken (zelftesten, gespreid leren, schema’s maken, en samenvatten volgens de Cornell-methode )
  • Differentiëren waar nodig: heterogeen en flexibel.

Slide 81 - Slide

6. Actieve verwerking
De docent maakt expliciet hoe de leerstof actief verwerkt dient te worden. De docent start met modelleren en laat leerlingen vervolgens actief inoefenen. Volgens het 'ik-wij-jullie/jij-wij' principe wordt de ondersteuning geleidelijk afgebouwd. Er wordt gevarieerd in oefentypes en het leerproces wordt zichtbaar gemaakt, bijvoorbeeld met hardop denken opdrachten. Effectieve leerstrategieën zoals zelftesten, gespreid leren, schema’s maken, en samenvatten volgens de Cornell-methode worden expliciet aangeleerd. Dit herkneden van de lesstof helpt bij het bewerken van het lange termijn geheugen.

Controle vragen
A
a.
B
b.
C
c.
D
d.

Slide 82 - Quiz

7. Formatief handelen
De docent geeft de leerlingen gedurende de les gerichte feedback, feedup en feedforward op de op de inhoud van het werk, de leerstrategie, het gedrag en op zelfsturing. De docent bevraagt willekeurig leerlingen met open vragen. De docent stimuleert kwaliteitsbesef onder leerlingen door bijvoorbeeld leerlingen elkaars werk te laten vergelijken of uitgewerkte voorbeelden te gebruiken, gevolgd door geïnformeerde vervolgstappen.

Controle vragen

Slide 83 - Open question

7. Formatief handelen
De docent geeft de leerlingen gedurende de les gerichte feedback, feedup en feedforward op de op de inhoud van het werk, de leerstrategie, het gedrag en op zelfsturing. De docent bevraagt willekeurig leerlingen met open vragen. De docent stimuleert kwaliteitsbesef onder leerlingen door bijvoorbeeld leerlingen elkaars werk te laten vergelijken of uitgewerkte voorbeelden te gebruiken, gevolgd door geïnformeerde vervolgstappen.

Controle vragen

Slide 84 - Open question

7. Formatief handelen
De docent geeft de leerlingen gedurende de les gerichte feedback, feedup en feedforward op de op de inhoud van het werk, de leerstrategie, het gedrag en op zelfsturing. De docent bevraagt willekeurig leerlingen met open vragen. De docent stimuleert kwaliteitsbesef onder leerlingen door bijvoorbeeld leerlingen elkaars werk te laten vergelijken of uitgewerkte voorbeelden te gebruiken, gevolgd door geïnformeerde vervolgstappen.
Terugkijken 
op de leerdoelen
  1. T1
  2. T2
  3. I


Checklist:
  • Zijn de leerdoelen behaald?
  • Les in context plaatsen van de periode 
  • Het leren en het gedrag samen evalueren
  • Vooruitblikken adhv JdW-planner  

Slide 85 - Slide

8. Afsluiting
De docent controleert in de slotfase van de les of de leerdoelen door alle leerlingen behaald zijn en plaatst de les in de context van de betreffende periode. De docent evalueert samen met de leerlingen het leren en het gedrag en blikt vooruit aan de hand van de JdW-planner.

           Begrippen
           uit deze les
  • cultuurlandschap
  • landbouw
  • bosbouw
  • biodiversiteit
  • bedreigde soorten
  • herintroductie
  • natuurbeheer

Slide 86 - Slide

8. Afsluiting
De docent controleert in de slotfase van de les of de leerdoelen door alle leerlingen behaald zijn en plaatst de les in de context van de betreffende periode. De docent evalueert samen met de leerlingen het leren en het gedrag en blikt vooruit aan de hand van de JdW-planner.


Exit ticket

Slide 87 - Open question

8. Afsluiting
De docent controleert in de slotfase van de les of de leerdoelen door alle leerlingen behaald zijn en plaatst de les in de context van de betreffende periode. De docent evalueert samen met de leerlingen het leren en het gedrag en blikt vooruit aan de hand van de JdW-planner.

Eindslide

Ruimte voor een afsluitend woord.

Slide 88 - Slide

This item has no instructions