Herhaling grammatica K3 + woordenschat

Herhaling grammatica Kapitel 3 + woordenschat
1 / 20
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Herhaling grammatica Kapitel 3 + woordenschat

Slide 1 - Slide

Mannelijk
Vrouwelijk
Onzijdig
Stier
Zeitung
Mädchen
Onkel
Schule
Lied

Slide 2 - Drag question

Regels geslacht zelfstandige naamwoorden
Mannelijk (der): Mannelijke persoons- en dierennamen: der Junge, der Stier
Vrouwelijk (die): Vrouwelijke persoons- en dierennamen: die Oma, die Kuh 
de meeste zaaknamen (dingen) op -e: die Adresse, die Toilette
woorden die eindigen op -heit, -keit, -schaft, -ung: die Zeitung, die Freundschaft
Onzijdig (das): het-woorden in het Nederlands: das Pferd, das Lied

Slide 3 - Slide

Welk geslacht? Waarom? + lidwoord
Zeitung

Slide 4 - Open question

Welk geslacht? Waarom? + lidwoord
Buch

Slide 5 - Open question

Welk geslacht? Waarom? + lidwoord
Freund

Slide 6 - Open question

woorden op -a: +
mannelijke woorden op -er:
vrouwelijke woorden op -e: +
vrouwelijke woorden op -n: +
onzijdige woorden: +
s
niks
n
nen
e

Slide 7 - Drag question

Meervoudsregels
Mannelijk: umlaut + e 
Vrouwelijk: + (e)n
Onzijdig: +e
Mannelijk + onzijdig eindigend op -el, -er, -en: niks
Veel woorden op -a, -i, -o, -y: + s

Slide 8 - Slide

die Freundin, die Freundin....
A
die Freundinen
B
die Freundinnen
C
die Freundinne
D
die Freundine

Slide 9 - Quiz

das Handy, die Handy...
A
die Handys
B
die Handy's
C
die Handies
D
die Handye

Slide 10 - Quiz

das Mädchen, die Mädchen...
A
die Mädchene
B
die Mädchennen
C
die Mädchen
D
die Mädschen

Slide 11 - Quiz

Hoe zeg je?
kwart over één

Slide 12 - Open question

Hoe zeg je?
half twee

Slide 13 - Open question

Hoe zeg je?
kwart voor vijf

Slide 14 - Open question

Hoe zeg je?
om tien uur

Slide 15 - Open question

Geef de vertaling van: moeilijk
A
schwierig
B
einfach
C
leicht
D
langweilig

Slide 16 - Quiz

Geef de vertaling van: op maandag
A
auf Montag
B
aber Montag
C
am Montag
D
nach Montag

Slide 17 - Quiz

Geef de vertaling van: Nederlands
A
Niderlandisch
B
Niederländisch
C
Niederlandisch
D
Niederlands

Slide 18 - Quiz

Geef de vertaling van: der Unterricht
A
het uur
B
de les
C
het onderricht
D
het vragenuur

Slide 19 - Quiz

Geef de vertaling van: krank
A
ziek
B
gezond
C
stom
D
laat

Slide 20 - Quiz