1.3 Weet wat je nodig hebt! deel 1

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf 1.3 Blz. 22
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, etui en rekenmachine.
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen
1 / 16
next
Slide 1: Slide
EconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1Leerroute 3

This lesson contains 16 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf 1.3 Blz. 22
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, etui en rekenmachine.
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

Slide 1 - Slide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt beschrijven hoe je met verschillende soorten geld kunt betalen.
  • Je kunt een nieuw saldo op je rekening uitrekenen. 

Slide 2 - Slide

1.3 Weet wat je nodig hebt! deel 1
H1 Economie is meer dan geld

Slide 3 - Slide

Leerdoelen vandaag
  • Je kunt uitleggen wat voor behoeften je kunt hebben.
  • Je kunt met voorbeelden uitleggen waardoor mensen verschillende behoeften hebben.
  • Je kunt het verschil tussen goederen en diensten uitleggen.
  • Je kunt uitleggen hoe je in je behoeften kunt voorzien.

Slide 4 - Slide

Behoeften
  • Iets wat je nodig hebt of graag wilt hebben noemen we een                                                      behoefte
Basisbehoeften                                                       Overige behoeften
Nodig om te overleven                                         Maakt het leven            - Eten                                                                            leuker/ makkelijker
- Kleding                                                                      - Smartphone
- Woonruimte                                                            - Merkkleding

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Behoeften verschillen
Mensen hebben verschillende behoeften. Dat kan komen door:
  • verschil in smaak
  • verschil in geslacht
  • verschil in leeftijd
  • verschil in budget (= het geld waarover je kunt beschikken).

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Goederen
  • Tastbare producten
  • Kunt het aanraken
  • Voorbeeld fiets



Diensten
  • Niet-tastbare producten
  • Iemand doet iets voor jou 
  • voorbeeld fietsenmaker

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

verbruiksgoederen
  • Gebruik je een korte tijd
  • Gaat daarna op
  • Voorbeeld Frikandelbroodje
Gebruiksgoederen
  • Gaat lange tijd mee 
  • Gebruik je vaker
  • Voorbeeld oven

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Consumeren
  • Het kopen van een goed of dienst noemen we consumeren
  • consumeren is het kopen van een goed of dienst om in je behoeften te voorzien
  • Als je iets koopt ben je een consument
Zelfvoorziening
  • Als je zelf iets maakt om in je eigen behoeften te voorzien noem je dat zelfvoorziening
  • Dit doe je, omdat je het leuk vindt of om geld te besparen
  • Voorbeeld: Moestuin

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Aan het werk!
Maken opdrachten 1.3: 1, 6, 9, 10, 11 en 13(omcirkelen)

Opdrachten laten controleren bij de docent, bij goedkeuring nakijken.
Nagekeken werk laten controleren bij de docent, bij goedkeuring:
  • Maken plusopdrachten Hoofdstuk 1
  • Bezig met een ander vak
  • Lezen


 

timer
15:00

Slide 15 - Slide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt uitleggen wat voor behoeften je kunt hebben.
  • Je kunt met voorbeelden uitleggen waardoor mensen verschillende behoeften hebben.
  • Je kunt het verschil tussen goederen en diensten uitleggen.
  • Je kunt uitleggen hoe je in je behoeften kunt voorzien.

Slide 16 - Slide