H1.1 tm 1.4 - Economie

1.1 Wat is economie
  1. Je kunt de begrippen behoeften, middelen, schaarste en consumptie uitleggen.
  2. Je kunt het verschil tussen een geldstroom en een goederenstroom uitleggen.
  3. Je kunt de vier productiefactoren en de vijf primaire inkomens noemen.
  4. Je kunt de toegevoegde waarde van een onderneming berekenen.
  5. Je kunt een bedrijfskolom tekenen en uitleggen dat elke schakel waarde toevoegt aan een product.
  6. Je kunt het onderscheid tussen individuele goederen, collectieve goederen en quasi-collectieve goederen uitleggen en je kunt uitleggen waarom de overheid sommige individuele goederen produceert en levert.
  7. Je kunt de begrippen directe ruil, indirecte ruil, chartaal geld en giraal geld uitleggen.
  8. Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen de intrinsieke waarde van geld en de nominale waarde van geld.
  9. Je kunt de drie functies van geld noemen.
Je kunt de begrippen import en export uitleggen en het handelsbalanssaldo van een land berekenen.
1 / 24
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

1.1 Wat is economie
  1. Je kunt de begrippen behoeften, middelen, schaarste en consumptie uitleggen.
  2. Je kunt het verschil tussen een geldstroom en een goederenstroom uitleggen.
  3. Je kunt de vier productiefactoren en de vijf primaire inkomens noemen.
  4. Je kunt de toegevoegde waarde van een onderneming berekenen.
  5. Je kunt een bedrijfskolom tekenen en uitleggen dat elke schakel waarde toevoegt aan een product.
  6. Je kunt het onderscheid tussen individuele goederen, collectieve goederen en quasi-collectieve goederen uitleggen en je kunt uitleggen waarom de overheid sommige individuele goederen produceert en levert.
  7. Je kunt de begrippen directe ruil, indirecte ruil, chartaal geld en giraal geld uitleggen.
  8. Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen de intrinsieke waarde van geld en de nominale waarde van geld.
  9. Je kunt de drie functies van geld noemen.
Je kunt de begrippen import en export uitleggen en het handelsbalanssaldo van een land berekenen.

Slide 1 - Slide

Economie gaat over….
A
Kijken hoe mensen omgaan met hun geld en welke keuzes ze maken
B
Kijken hoe bedrijven omgaan met hun geld en welke keuzes ze maken? Kijken hoe bedrijven omgaan met hun geld en welke keuzes ze maken
C
Kijken hoe mensen en bedrijven omgaan met hun geld en welke keuzes ze maken
D
gezelligheid en leuke (klets)praatjes!

Slide 2 - Quiz

Je veegt het lokaal van de docent. Je mag daardoor een keer mee met de lift.
A
Directe ruil
B
Indirecte ruil
C
lopen is gezonder
D
strafwerk

Slide 3 - Quiz

Functies van geld
Ruilmiddel

Spaarmiddel

Rekenmiddel

Slide 4 - Drag question

Welke omschrijving hoort bij welke productiefactor?
arbeid

kapitaalgoederen
natuur
machines om hout te zagen en te bewerken
mensen om de machines te bedienen;
timmerhout.

Slide 5 - Drag question

Bij indirecte ruil is er sprake van een ruilmiddel (bijv. geld).
A
Waar
B
Niet waar

Slide 6 - Quiz

Wat wordt er bedoeld met de toegevoegde waarde?
A
De begin waarde van een product
B
De totaal waarde van een product
C
Het verschil tussen de begin en eind waarde van een product
D
De waarde die wordt toegevoegd bij verwerking van product

Slide 7 - Quiz


Bereken de toegevoegde waarde van de textielfabriek

Slide 8 - Open question

Consumptiegoederen
Kapitaalgoederen
Oven in een restaurant
Oven bij jou thuis
Auto van je moeder
Bestelbus van een bedrijf

Slide 9 - Drag question

Bedrijfskolom
Chocoladefabriek
Supermarkt
Importeur
Cacaoplantage
Groothandel

Slide 10 - Drag question

1.2 Rekenen met procenten
  1. Je kunt een procentueel aandeel berekenen.
  2. Je kunt een procentuele verandering berekenen met behulp van twee absolute getallen.
  3. Je kent het verschil tussen procent, procentpunt en promille.
  4. Je kunt een bedrag berekenen als het procentuele verschil met een ander bedrag is gegeven of als het procentuele aandeel van een ander bedrag is gegeven.
  5. Je kunt absolute getallen als indexcijfers schrijven.
  6. Je kunt met behulp van indexcijfers een procentuele verandering berekenen.

Slide 11 - Slide

De consumentenprijs is € 25,86. BTW is 21% BTW. Wat is het BTW bedrag?
A
€ 4,49
B
€ 5,43
C
€ 4,75
D
€ 6,87

Slide 12 - Quiz

1.3 Inkomen
  1. Je kunt de primaire inkomens en voorbeelden van overdrachtsinkomens noemen.
  2. Je kunt het verschil tussen inkomen en vermogen uitleggen.
  3. Je kunt, met voorbeelden, uitleggen dat er een positief verband bestaat tussen inkomen en vermogen (en tussen vermogen en inkomen).
  4. Je kunt het verschil tussen primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden uitleggen.
  5. Je kunt het onderscheid tussen brutoloon en nettoloon uitleggen.
  6. Je kunt de drie belangrijkste toeslagen van de belastingdienst noemen.
  7. Je kunt de verschillen en overeenkomsten tussen sociale voorzieningen en sociale verzekeringen uitleggen.
  8. Je kunt de verschillen en overeenkomsten tussen volksverzekeringen en werknemersverzekeringen uitleggen.

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Wat is geen primair inkomen?
A
aow uitkering
B
dividend
C
huur
D
rente

Slide 15 - Quiz

Wat is GEEN overdrachtsinkomen
A
Bijstandsuitkering
B
Zakgeld
C
Loon
D
AOW-uitkering

Slide 16 - Quiz

Uitkeringen en toeslagen zijn...
A
Primaire inkomens
B
Inkomen uit vermogen
C
Inkomen uit arbeid
D
Overdrachtsinkomen

Slide 17 - Quiz

€ ............
€ 460,-
€ 1570,-
€ 3590,-
Brutoloon
Nettoloon = brutoloon - inhoudingen

Slide 18 - Slide

I: Brutoloon is het geld wat je uiteindelijk krijgt.

II: Nettoloon is het geld waar alle sociale premies en belasting af zijn gehaald.
A
Beide zijn juist
B
1 is onjuist, 2 is juist
C
1 is juist, 2 is onjuist
D
Beide zijn onjuist

Slide 19 - Quiz

1.4 Sparen en Beleggen
  1. Je kunt het begrip risico-aversiteit uitleggen.
  2. Je kunt de verschillen tussen een spaarrekening en een spaardeposito noemen.
  3. Je kunt de interest op basis van enkelvoudige interest (rente) berekenen.
  4. Je kunt het saldo op een spaarrekening berekenen met behulp van samengestelde interest.
  5. Je kunt het bijgeschreven rentebedrag op een spaarrekening berekenen met behulp van samengestelde interest.

Slide 20 - Slide

Sleep de kenmerken naar de juiste plek
Spaarrekening
Spaardeposito
Vaste rente
Variabele rente
Rente over rente
Geld staat vast
Enkelvoudige rente
Samengestelde rente

Slide 21 - Drag question

Karin Geluk zet € 3.000 voor drie jaar vast op een spaarrekening met 2% rente. Bereken het eindbedrag na drie jaar. Doe dit met enkelvoudige rente.
A
€ 180
B
€ 3.060
C
€ 3.183,63
D
€ 3.180

Slide 22 - Quiz

Asena zet op 1 januari 2017 € 500 op een spaarrekening. Ze krijgt een vaste rente van 1,5%. De bank rekent met samengestelde interest.

Bereken hoeveel rente Asena na drie jaar heeft gekregen.

Slide 23 - Open question

Ik heb vertrouwen in mijn kennis over hoofdstuk 1
😒🙁😐🙂😃

Slide 24 - Poll